Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verloop van de procedure
- voornoemde dagvaarding tevens bevattende de grieven van 18 maart 2014;
- de memorie van antwoord.
2.Het geding in eerste aanleg (zaaknr/rolnr. C/04/123041/HA ZA 13-156)
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
) U heeft mij die verklaring laten zien. Volgens u heb ik getracht de schade aan de keuken dubbel te claimen, een keer bij de eerste schade en een tweede keer bij de onderhavige schade. U vraagt mij om een reactie? Ik vertel u hierop dat ik het daar niet mee eens ben.
Ik heb u onjuiste informatie over de keuken verschaft. De keuken was veel ouder, precies weet ik het niet. De rekening die ik u heb laten zien was van een andere keuken. Nu later tijdens ons gesprek besef ik dat dit niet juist is geweest. Ik heb daar spijt van.”. Uit deze door de heren [vertegenwoordiger CED] en/of [vertegenwoordiger CED] opgeschreven passage blijkt echter niet voldoende waarom [appellante] is teruggekomen op haar mededeling dat de getoonde factuur betrekking had op de keuken in de woning. Is dit geweest omdat zij zelf tijdig een gemaakte vergissing inzag, of bekende zij uiteindelijk op grond van de haar door de heren [vertegenwoordiger CED] en [vertegenwoordiger CED] voorgehouden feiten dat zij opzettelijk had geprobeerd om NN te misleiden? Dat dit laatste het geval is, heeft NN onder het aanbieden van bewijs wel aangevoerd in onder meer nr. 3.18 van haar memorie van antwoord. NN heeft in genoemd nummer onder meer aangevoerd dat de opmerking van de raadsman van [appellante] inhoudende dat zij zelf de vergissing van de nota heeft opgemerkt en heeft gecorrigeerd, tegengesteld is aan de waarheid. Het hof zal NN toelaten tot het leveren van bewijs dat [appellante] opzettelijk heeft geprobeerd NN te misleiden, zoals nader in het dictum is omschreven.
Aan die verklaring van [klusjesman] gaat het hof verder voorbij omdat hij in die verklaring enkel vermeldt dat hij herstelwerkzaamheden heeft verricht aan de keuken en de schade heeft hersteld. De herstelwerkzaamheden noch de schade zijn echter concreet omschreven. Het blijft bij die twee abstracte opmerkingen. Bezien in het licht van het feit dat er een “totaalverlies” betreffende de keuken is uitgekeerd, had echter van [appellante] verwacht mogen worden dat zij een voldoende duidelijke en feitelijke omschrijving zou geven van de aan de keuken verrichte werkzaamheden na het schadevoorval in 2009. Bij gebreke daarvan is voorshands niet voldoende aannemelijk dat de keuken na het schadevoorval in 2009 is gerepareerd. Hiermee is tevens voorshands voldoende door NN bewezen, op wie ook op dit punt de bewijslast ingevolge artikel 150 Rv Pro rust, dat zoals door haar in eerste aanleg betoogd de door [appellante] verzochte schadevergoeding voor de schade aan de keuken zogenaamde dubbele schade betreft, hetgeen - op zichzelf beschouwd - evenzeer fraude door [appellante] oplevert die verval van schadevergoeding rechtvaardigt. [appellante] zal op dit punt worden toegelaten tot tegenbewijs, namelijk op het punt dat door of namens haar wel degelijk herstel van de keuken heeft plaatsgevonden na de waterschade in 2009 althans vóór de inbraak in 2011.