Op 27 februari 2011 vond een zware mishandeling plaats in een horecagelegenheid te Tilburg. Verdachte, mede-eigenaar van het café, bood de politie vrijwillig camerabeelden aan, maar de politie ging hier niet op in. Pas zeven maanden later startte het onderzoek, waarbij op basis van een niet onderbouwde werkhypothese bankgegevens werden opgevraagd en uiteindelijk een doorzoeking van de woning van verdachte plaatsvond. Tijdens deze doorzoeking werden een vuurwapen en munitie aangetroffen.
De verdediging voerde aan dat de doorzoeking een ander doel diende dan opgegeven en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens schending van het recht op een eerlijk proces. Het hof stelde vast dat het opsporingsonderzoek niet transparant en controleerbaar was, dat de inzet van dwangmiddelen disproportioneel was en dat verdachte tot het moment van de doorzoeking als een onschuldige burger werd beschouwd.
Het hof concludeerde dat het recht op een fair trial ernstig was geschonden doordat onvoldoende duidelijkheid werd verschaft over de gang van zaken in het opsporingsonderzoek. Ondanks intensieve getuigenverhoren kon het hof dit gebrek aan transparantie niet opheffen. Daarom werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.