ECLI:NL:GHSHE:2016:4545

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 juni 2016
Publicatiedatum
11 oktober 2016
Zaaknummer
200.171.414_01 afwijzing H
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 32 RvArt. 6:119 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verbetering en aanvulling arrest over wettelijke rente en proceskosten

In deze civiele procedure heeft appellant een verzoek ingediend tot verbetering en aanvulling van het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juni 2016. Het verzoek betrof onder meer de vraag of het hof wettelijke rente had toegewezen op grond van artikel 6:119 BW Pro dan wel artikel 119a BW, alsmede opmerkingen over de proceskostenveroordeling en de begroting van de advocaatkosten.

Het hof heeft overwogen dat het verzoek niet kan worden toegewezen. De wettelijke rente is conform het petitum toegewezen zonder nadere specificatie, en het hof heeft geen fouten gemaakt in de zin van artikelen 31 en 32 Rv. Daarnaast is niet gevorderd tot terugbetaling van eventueel reeds betaalde bedragen, zodat het hof zich terecht niet heeft uitgelaten over proceskosten van de eerste aanleg.

Verder heeft het hof toegelicht dat de advocaatkosten zijn begroot op basis van de toegewezen hoofdsom en dat de discretionaire bevoegdheid van het hof ter zake van de proceskostenveroordeling niet ter discussie staat. Het verzoek tot verbetering en aanvulling is daarom afgewezen.

Dit arrest is op 11 oktober 2016 in het openbaar uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch, sector civiel recht.

Uitkomst: Het verzoek tot verbetering en aanvulling van het arrest is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht
zaaknummer HD 200.171.414/01
arrest van 11 oktober 2016 op het verzoek strekkende tot VERBETERING en AANVULLING in de zin van artikel 31 en Pro artikel 32 Rv Pro van het arrest, gewezen op 28 juni 2016
in de procedure in hoger beroep die bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch aanhangig is geweest in de zaak van
[appellant] ,h.o.d.n.
[handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. N.J.P. Vanaken te Eindhoven,
tegen

Forexx Company B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E. van der Maal te Eindhoven.
1. Bij brief van 25 augustus 2016 (per abuis gericht aan de Rechtbank Oost-Brabant) heeft mr. Vanaken aan het hof gevraagd zich te willen uitlaten over de vraag of het hof bij het arrest van 28 juni 2016 wettelijke rente ex art. 6:119 BW Pro heeft toegewezen of wettelijke rente ex art. 119a BW. In genoemde brief is verder opgemerkt dat het hof geen rekening heeft gehouden met het feit dat [appellant] in eerste aanleg is veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Forexx begroot op € 3.680,-. Tenslotte is het [appellant] onduidelijk waarom de kosten advocaat in eerste aanleg door het hof zijn begroot op € 1.158,- terwijl de rechtbank die kosten had begroot op € 1.788,-.
2. Bij brief van 31 augustus 2016 heeft mr. van der Maal namens Forexx zijn mening hierover kenbaar gemaakt. Kort gezegd heeft hij aangevoerd dat het hof conform het petitum wettelijke rente heeft toegewezen en dat het hof ter zake de proceskostenveroordeling een discretionaire bevoegdheid heeft.
3. Het hof begrijpt dat [appellant] in zijn brief het hof verzoekt om enkele verbeteringen en aanvullingen in de zin van de artikelen 31 en 32 Rv.
Ter zake het punt van de wettelijke rente is door het hof toegewezen hetgeen in eerste aanleg (en in hoger beroep) is gevorderd. [appellant] heeft namelijk in zijn petitum zonder nadere aanduiding van de soort rente enkel “wettelijke rente” gevorderd. Het hof heeft dus geen fout gemaakt in de zin van art. 31 Rv Pro noch heeft het hof verzuimd te beslissen over enig punt in de zin van art. 32 Rv Pro.
In hoger beroep is niet gevorderd veroordeling van Forexx tot terugbetaling van hetgeen op grond van het vernietigde vonnis door [appellant] eventueel is betaald, zodat het hof zich terecht niet heeft uitgelaten over de eventueel door [appellant] betaalde proceskosten van de eerste aanleg. Het hof merkt wat dit betreft overigens wel op dat het vonnis ook wat de proceskostenveroordeling betreft is vernietigd.
In rov. 4.11 van het arrest heeft het hof overwogen dat de werkzaamheden van de advocaat worden begroot aan hand van de toegewezen hoofdsom. Toegewezen is een bedrag van € 23.591,-, zodat die kosten zijn begroot op de voet van tariefgroep III van het liquidatietarief.
De conclusie is van ook dat het verzoek op geen van de punten kan worden toegewezen.

De uitspraak

Het hof:
wijst het verzoek van [appellant] tot herstel en aanvulling van het tussen bovenvermelde partijen gewezen arrest van 28 juni 2016 af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten
en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 oktober 2016.
griffier rolraadsheer