ECLI:NL:GHSHE:2016:4554

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 oktober 2016
Publicatiedatum
11 oktober 2016
Zaaknummer
200.172.270_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 322 RvArt. 332 lid 1 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens appelgrens van €1.750 in civiele zaak

In deze civiele zaak ging het om een hoger beroep van de Begrafenis- en Crematievereniging tegen een vonnis van de kantonrechter waarin de geïntimeerde een vordering van €1.634,50 plus wettelijke rente en proceskosten had ingesteld. De kantonrechter wees deze vorderingen toe en veroordeelde de vereniging in de proceskosten.

Het geschil in hoger beroep betrof primair de vraag of het hoger beroep ontvankelijk was, gelet op de appelgrens van €1.750 zoals neergelegd in artikel 332 lid 1 Rv Pro. Het hof oordeelde dat de appelgrens wordt bepaald door de hoofdsom van de vordering en de tot de dag van dagvaarding verschenen rente, waarbij proceskosten niet worden meegerekend.

Aangezien de hoofdsom van €1.634,50 lager was dan de appelgrens, werd het hoger beroep van de vereniging niet ontvankelijk verklaard. De vereniging werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van de geïntimeerde op €311 aan verschotten en €632 aan salaris advocaat.

Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2016.

Uitkomst: Het hoger beroep van de begrafenisvereniging wordt niet ontvankelijk verklaard wegens het niet overschrijden van de appelgrens van €1.750.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.172.270/01
arrest van 11 oktober 2016
in de zaak van
Begrafenis- en Crematievereniging [Begrafenis- en Crematievereniging],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [Begrafenis- en Crematievereniging] ,
advocaat: mr. T. Bruinsma te Lemmer,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. R.P. Küffen te Kerkrade,
op het bij exploot van dagvaarding van 4 juni 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 april 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [Begrafenis- en Crematievereniging] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3360106/CV EXPL 14-9262)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven (met twee producties);
  • de memorie van antwoord.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.1. Het gaat in deze zaak om een door [Begrafenis- en Crematievereniging] ingesteld hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, waarbij is beslist op een door [geïntimeerde] als eiser ingestelde vordering. [geïntimeerde] vorderde, kort samengevat: 1. veroordeling van [Begrafenis- en Crematievereniging] tot betaling van een bedrag van € 1.634,50 in hoofdsom, 2. te vermeerderen met de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf de dag der dagvaarding en 3. veroordeling van [Begrafenis- en Crematievereniging] in de proceskosten met inbegrip van nakosten en wettelijke rente over de proceskosten bij niet voldoening binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis.
3.1.2. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen 1 en 2 toegewezen. De kantonrechter veroordeelde [Begrafenis- en Crematievereniging] voorts in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] tot de uitspraak begroot op € 623,80, te vermeerderen met wettelijke rente bij gebreke van betaling binnen 14 dagen na de uitspraak, en - tenzij [Begrafenis- en Crematievereniging] binnen twee weken na aanschrijving door [geïntimeerde] aan de veroordeling zou voldoen - in de nakosten, begroot op € 75,= te vermeerderen met de explootkosten indien betekening van het vonnis zou hebben plaatsgevonden.
3.1.3. [Begrafenis- en Crematievereniging] is van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.
3.2.1. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil de - door het hof overigens ook ambtshalve te beantwoorden - vraag of [Begrafenis- en Crematievereniging] in het door haar ingestelde hoger beroep kan worden ontvangen, gelet op de in art. 332 lid 1 Rv Pro genoemde appelgrens van € 1.750,=.
3.2.2. Op grond van art. 332 lid 1 Rv Pro is een in eerste aanleg gewezen vonnis niet appellabel indien de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,=. Bij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen gaat het om de hoogte van de door de eisende partij ingestelde vordering (i.c. € 1.634,50) plus de tot de dag van dagvaarding verschenen rente (i.c. niet aan de orde nu alleen rente vanaf de dag van dagvaarding is gevorderd). Anders dan [Begrafenis- en Crematievereniging] bepleit, behoort tot het bedrag waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet de - door de rechter ambtshalve uit te spreken - proceskostenveroordeling. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat een procespartij doorgaans mede een vordering tot veroordeling van de wederpartij in de proceskosten aan zijn vorderingen toevoegt. Het meewegen van een dergelijke nevenvordering zou bovendien niet te verenigen zijn met het feit dat mede gevorderde wettelijke rente voor de hoogte van de vordering alleen in aanmerking komt voor zover deze ten tijde van de dagvaarding reeds is verschenen.
3.2.3. Op grond van het hiervoor overwogene komt het hof derhalve tot het oordeel dat [Begrafenis- en Crematievereniging] in het door haar ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk dient te worden verklaard.
3.2.4. [Begrafenis- en Crematievereniging] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

4.De uitspraak

Het hof:
verklaart [Begrafenis- en Crematievereniging] niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;
veroordeelt [Begrafenis- en Crematievereniging] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden worden begroot op € 311,= aan verschotten en op € 632,= aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, W.J.J. Beurskens en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 oktober 2016.
griffier rolraad