ECLI:NL:GHSHE:2016:482

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 februari 2016
Publicatiedatum
16 februari 2016
Zaaknummer
200.158.682_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 WTBZ (oud)Art. 38 lid 4 Wet op de rechtsbijstandArt. 7:405 lid 2 BWArt. 194 lid 2 RvArt. 195 Rv
Verwijzingen
12 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid burgerlijke rechter bij geschil over advocaatloon na afschaffing begrotingsprocedure

In deze civiele zaak vordert de appellant betaling van een advocaatloon van €4.599,70, vermeerderd met kosten en rente. De geïntimeerde verweert zich met een beroep op een fixed fee-afspraak van €3.500,-, welke door appellant wordt ontkend. Na een verstekvonnis en daaropvolgend verzet verklaart de kantonrechter zich onbevoegd vanwege het niet volgen van de begrotingsprocedure, die toen nog bestond.

Het hof stelt vast dat de begrotingsprocedure per 1 januari 2015 is afgeschaft, waardoor geschillen over advocaatloon nu door de burgerlijke rechter moeten worden behandeld. De eerdere onbevoegdheidsverklaring kan daarom niet in stand blijven. Het hof laat partijen weten dat zij zich moeten uitlaten over terugverwijzing naar de kantonrechter of voortzetting bij het hof.

De zaak wordt aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten over de procedure en de overgelegde declaraties te geven. Tevens zal het hof, indien nodig, een deskundigenbericht gelasten om het aantal bestede uren door de advocaat te begroten. Het arrest benadrukt dat het loon redelijk moet zijn volgens artikel 7:405 lid 2 BW Pro en gedragsregels voor advocaten.

Uitkomst: Het hof verklaart de kantonrechter onbevoegd niet langer van toepassing en verwijst de zaak terug voor nadere behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.158.682/01
arrest van 16 februari 2016
in de zaak van
de maatschap [maatschap] Advocaten,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. R.A. Baltes te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 21 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het (verzet)vonnis van 23 juli 2014, door de afdeling kanton van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als geopposeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, en [geïntimeerde] als opposant in de hoofdzaak, eiser in het incident.

1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 3129127 CV EXPL 14-3538)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met één grief en drie producties;
  • de memorie van antwoord;
  • de akte van [appellante] met producties;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
In dit hoger beroep gaat het om het volgende.
3.1.1.
Bij inleidende dagvaarding van 27 februari 2014 heeft [appellante] [geïntimeerde] in rechte betrokken en gevorderd hem te veroordelen tot betaling van een bedrag in hoofdsom van € 4.599,70, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente, terzake van werkzaamheden als advocaat uitgevoerd in opdracht van [geïntimeerde] .
Als verweer van [geïntimeerde] (ex artikel 111 lid 3 Rv Pro) wordt opgegeven dat laatstgenoemde zich heeft beroepen op een fixed fee-afspraak van € 3.500,-. Deze afspraak wordt in die dagvaarding door [appellante] ontkend.
3.1.2.
Bij verstekvonnis van 19 maart 2014 zijn de vorderingen toegewezen nu deze de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voorkwamen en is [geïntimeerde] tot betaling en in de proceskosten veroordeeld.
3.1.3.
[geïntimeerde] is bij verzetdagvaarding van 19 mei 2014 tegen deze veroordelingen opgekomen. Daarbij heeft hij de onbevoegdheid van de kantonrechter ingeroepen, stellende dat de hoogte van de vordering wordt betwist zodat de bijzondere procedure bepaald in de artikelen 32 tot en 40 WTBZ (de begrotingsprocedure) gevolgd moet worden, zodat de kantonrechter onbevoegd is te oordelen. Hij beroept zich niet op een fixed fee-afspraak, maar stelt dat genoemd bedrag van € 3.500,- betrekking heeft op een schikkingsvoorstel, dat overigens niet is aanvaard door [appellante] .
3.1.4.
Bij (verzet)vonnis waarvan beroep van 23 juli 2014 is de door [geïntimeerde] opgeworpen exceptie gehonoreerd, het verstekvonnis vernietigd, heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen en is [appellante] in de kosten veroordeeld.
3.1.5.
[appellante] is tijdig van dit vonnis in hoger beroep gekomen, heeft één grief aangevoerd en gevorderd dat het verzetvonnis zal worden vernietigd en de veroordeling uit het verstekvonnis zal worden bekrachtigd. De grief luidt:
Ten onrechte oordeelt de kantonrechter dat het verweer van [geïntimeerde] enkel ziet op de hoogte van de declaraties van [appellante] Advocaten, als gevolg waarvan de kantonrechter onbevoegd is om van de vordering van [appellante] Advocaten kennis te nemen.
3.1.6.
[geïntimeerde] voert verweer en concludeert tot bevestiging van het bestreden vonnis.
3.1.7.
Artikel 32 (oud) WTBZ luidt:
Buiten de gevallen in het 2de lid van art. 31 vermeld Pro, geschiedt, in geval van verschil over het salaris, door den advocaat aan den cliënt berekend, de begrooting door de raden van toezigt en discipline (…)
Deze bepaling is per 1 januari 2015 vervallen. Artikel IV van de Wet positie en toezicht advocatuur luidt:
De artikelen 29 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken en artikel 38, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op geschillen over het door de advocaat aan de cliënt berekende salaris, in gevallen waarin de rekening van de advocaat is begroot door de raad van toezicht vóór het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.
Een begroting (als hier bedoeld) heeft niet plaatsgevonden.
3.2.
De bevoegdheid van de burgerlijke rechter.
3.2.1.
Het hof stelt voorop dat door het instellen van hoger beroep tegen een eindvonnis de zaak in volle omvang wordt overgebracht naar het hof ter beslissing voor zover ontsloten door de grieven. De grief van [appellante] keert zich kennelijk tegen de toewijzing van de exceptie van onbevoegdheid.
3.2.2.
Nu de begrotingsprocedure is afgeschaft kan daaraan thans geen toepassing meer worden gegeven en dienen de geschillen over de hoogte van het loon van de advocaat door de burgerlijke rechter te worden beslist. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter in het incident – dat immers tot uitgangspunt neemt dat die procedure nog gevolgd kan worden en dat op de geschillen langs die weg beslist kan worden - niet in stand kan blijven. Dat, naar volgt uit de door [appellante] als productie 5 bij akte in hoger beroep in het geding gebrachte brief van (de stafjurist van) de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland West-Brabant, ten tijde van het wijzen van het vonnis in eerste aanleg verwijzing naar de begrotingsprocedure nog mogelijk was, maakt zulks niet anders. De grief slaagt mitsdien in zoverre.
3.2.3.
Hoewel de tekst van de grief er op lijkt te duiden dat [appellante] enkel bestrijdt dat het verweer van [geïntimeerde] alleen ziet op de hoogte van de declaraties van [appellante] , blijkt uit de toelichting op de grief en het petitum dat [appellante] het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof wenst te onderwerpen, dus ook voor het geval dat het verweer van [geïntimeerde] alleen ziet op de hoogte van de declaraties. Uit de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met name het onder 6. gestelde blijkt dat [geïntimeerde] dat heeft onderkend. Aldus heeft [appellante] haar klachten in hoger beroep behoorlijk in het geding gebracht en zijn deze voor [geïntimeerde] (en de appelrechter) voldoende kenbaar. Bijgevolg is het geschil in volle omvang bij het hof aan de orde.
3.2.4.
Het oordeel dat de burgerlijke rechter thans bevoegd is stelt het hof voor de vraag of terugverwijzing naar de kantonrechter moet volgen.
[geïntimeerde] stelt dat [appellante] die terugverwijzing niet heeft gevraagd (punt 4 mva). Ook [geïntimeerde] vraagt die verwijzing niet, al klaagt hij er wel over dat de zaak dan in één instantie wordt beslist.
Overigens lijkt het erop dat in het onderhavige geval verwijzing zou moeten volgen, tenzij beide partijen afdoening door het hof zouden verlangen (vgl. rov. 3.4.2, tweede alinea van HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857, NJ 2010/581 m.nt. H.J. Snijders). Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de terugverwijzing.
3.2.5.
Partijen zouden dit geschil wellicht kunnen voorleggen aan de Geschillencommissie advocatuur. Zij dienen zich ook hieromtrent uit te laten.
3.2.6.
De kwestie van de fixed fee-afspraak ligt bij het hof niet (meer) ter beoordeling nu beide partijen van oordeel zijn dat een dergelijke afspraak niet is gemaakt. Daarmee staat vast dat het hof alleen heeft te oordelen over de hoogte van de declaraties.
Deze declaraties zijn niet overgelegd. Partijen dienen dat alsnog te doen.
3.2.7.
Wensen partijen voortzetting van het geding bij het hof dan zal het hof een deskundigenbericht gelasten teneinde de werkzaamheden te begroten.
Naar het oordeel van het hof zal benoeming van één deskundige volstaan.
Het hof overweegt mevr. mr. N.A.M. Sinjorgo te [plaats] (email: [email-adres] ) te belasten met de begroting van het aantal door [appellante] aan de zaak bestede uren. Daarbij kan zij aansluiting zoeken bij de wijze van begroting zoals die voor de wetswijziging van 1 januari 2015 gebruikelijk plaatsvond.
Het voorschot op de kosten van de deskundige zal op grond van artikel 195 Rv Pro voorshands gedragen moeten worden door [appellante] als oorspronkelijk eiseres.
Partijen kunnen zich hieromtrent op de voet van artikel 194 lid 2 Rv Pro uitlaten.
3.2.8.
Het hof wijst er in dit verband op dat een advocaat ingevolge artikel 7:405 lid 2 BW Pro recht heeft op het op de gebruikelijke wijze berekende loon, althans op een redelijk loon (vgl. ook gedragsregel 25 lid 1). Het bestede aantal uren is dat wat een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat in de gegeven omstandigheden aan de zaken zou hebben besteed. Dit aantal wordt niet alleen bepaald aan de hand van nuttig, nodig en doelmatig zijn van de bestede tijd, maar mede door andere omstandigheden zoals de ingewikkeldheid van de zaak en de tijd besteed aan de communicatie met de cliënt.
3.2.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 8 maart 2016 voor het nemen van aktes aan de zijde van [appellante] en [geïntimeerde] waarin zij zich uitlaten over de kwesties aangehaald in de rechtsoverwegingen 3.2.4, 3.2.5 en 3.2.7 alsmede voor het overleggen van de in geding zijnde declaraties (rov. 3.2.6);
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.W. van Rijkom en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 februari 2016.
griffier rolraadsheer