ECLI:NL:GHSHE:2016:4987

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 november 2016
Publicatiedatum
8 november 2016
Zaaknummer
200.196.111_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 jo. 3 WgbzArt. 353 jo. 127a RvArt. 2.3.2 Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszaken gerechtshoven
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake lease van trekker en betaling griffierecht

In deze civiele zaak staat een geschil centraal over de lease van een trekker, waarbij appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De zaak betreft onder meer vragen over Belgisch recht, heling en ongerechtvaardigde verrijking.

Appellant had het griffierecht voor het hoger beroep niet binnen de eerste termijn voldaan, waarop het hof de mogelijkheid tot ontslag van de instantie onderzocht. Na toepassing van het Landelijk procesreglement werd vastgesteld dat appellant het griffierecht alsnog binnen de aanvullende termijn heeft betaald.

Hierdoor verleent het hof geen ontslag van instantie en wordt de procedure voortgezet. Omdat appellant nog geen memorie van grieven heeft genomen, krijgt hij een laatste ambtshalve peremptoir uitstel om dit alsnog te doen. De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 29 november 2016 voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard en de procedure wordt voortgezet met een laatste uitstel voor memorie van grieven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.196.111/01
arrest van 8 november 2016
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] , België,
appellant,
hierna aan te duiden als appellant,
advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart te Breda,
tegen
[de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als geïntimeerde,
advocaat: mr. E.D. van der Minne te Eindhoven,
op het bij exploot van dagvaarding van 15 juli 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 25 november 2015 en 4 mei 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen appellant als (mede)gedaagde en geïntimeerde als eiseres.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/296122 / HA ZA 15-162)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Appellant heeft bij voormeld exploot geïntimeerde opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 augustus 2016.
2.2.
Appellant heeft de zaak aangebracht ter rolzitting van 2 augustus 2016. Partijen hebben een advocaat doen stellen.
2.3.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om het griffierecht binnen vier weken na aanbrengen, derhalve uiterlijk op 30 augustus 2016 te voldoen. Geconstateerd is dat appellant het griffierecht niet (tijdig) heeft voldaan.
2.4.
Nadat appellant in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de toepassing van artikel 127a lid 3 Rv, heeft hij op de rol van 27 september 2016 een akte genomen. Geïntimeerde heeft zich uitgelaten over het eventueel in te stellen incidenteel hoger beroep.
2.5.
Hierna is bepaald dat arrest wordt gewezen.

3.De motivering

3.1.
Op grond van artikel 3 lid 1 jo Pro. 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) en artikel 353 jo Pro. 127a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) dient de rechter in beginsel ontslag van instantie uit te spreken indien de appellant het door hem verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig (binnen vier weken na de eerste uitroeping van de zaak) heeft voldaan.
3.2.
Op grond van artikel 2.3.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, welk procesreglement op 1 september 2016 in werking is getreden, wordt aan appellant na de betalingstermijn van vier weken een termijn van twee weken gegeven om alsnog het griffierecht te betalen. Als appellant het griffierecht binnen die termijn heeft voldaan wordt geen ontslag van instantie verleend.
3.3.
Volgens opgave van de financiële administratie heeft appellant het griffierecht op 14 september 2016, binnen de daartoe gestelde termijn, voldaan. Het hof zal dan ook geen ontslag van instantie verlenen. Dit heeft tot gevolg dat de procedure kan worden voortgezet.
3.4.
Nu appellant al een eerste termijn voor het nemen van de memorie van grieven heeft gehad en deze memorie niet heeft genomen, zal het hof appellant nog éénmaal een uitstel (ambtshalve peremptoir) geven voor het nemen van de memorie van grieven.
3.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De uitspraak

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 29 november 2016 (ambtshalve peremptoir) voor memorie van grieven aan de zijde van appellant;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 november 2016.
griffier rolraadsheer