Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/219699/HAZA 10-2369)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;
- de akte houdende bezwaar tegen wijziging van eis;
- de antwoordakte op bezwaar tegen wijziging van eis;
- de rolbeslissing van 23 januari 2015;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;
- H12-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 25 januari 2016.
- H12-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 29 januari 2016;
- de pleitnota’s van beide partijen, overgelegd bij het pleidooi op 10 februari 2016.
3.De beoordeling
onvoorwaardelijkmoet meewerken aan de goederenrechtelijke levering van deze zaken aan de man. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft slechts in zijn algemeenheid de obligatoire verdeling van de huwelijksgemeenschap bepaald, en daarbij niets bepaald omtrent de goederenrechtelijke levering (en de vorderingen van de man daartoe zelfs afgewezen), zodat de vrouw in onderhavige procedure aan haar medewerking aan de goederenrechtelijke levering de voorwaarde kan verbinden dat zij zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschulden. Zij heeft hierbij een rechtens te respecteren belang. Op grond van het op 27 augustus 2007 geldende artikel 1:102 BW Pro is de vrouw na de ontbinding van de gemeenschap voor de helft aansprakelijk voor de schulden van de man, terwijl zij door de toedeling van de onroerende zaken aan de man niets verkrijgt waaruit zij deze schulden zou kunnen voldoen.
vrouwstelt het volgende.
verklaarddat er geldleningsovereenkomsten bestonden, op welke verklaring de notaris mocht afgaan, maar niet dat de notaris heeft
geconstateerddat deze geldleningsovereenkomsten ook daadwerkelijk bestonden.
‘the hereto attached document marked letter B’,welk document door de man niet in het geding is gebracht. Uit de hypotheekakte blijkt niet dat een hypotheekrecht is gevestigd voor een per peildatum nog bestaande schuld.
‘tot zekerheid van al hetgeen de schuldeiser blijkens haar administratie (…) te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welke andere hoofde dan ook.’
manconcludeert tot verwerping van de grieven van de vrouw. Samengevat voert hij het volgende aan
‘s-Gravenhage op 25 februari 2010 reeds beslist. Deze beschikking heeft gezag van gewijsde en de beslissingen van de rechtbank ‘s-Gravenhage in voornoemde beschikking dienen in het onderhavige geschil tot uitgangspunt. Het hof verwijst naar hetgeen hieromtrent reeds is overwogen in rov. 3.7.