Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats 2] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats 2] ,
[geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats 3] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/04/116793/HA ZA 12-208)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het exploot van anticipatie van 29 januari 2015;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
3.De beoordeling
en 3)[ [erflater] , hof]
door hun erfgenamen. Indien na overlijden voortzetting plaats heeft met (…) de erfgenamen als vorenbedoeld, geschiedt dit als commanditaire vennoten, een en ander volgens dezelfde regeling als hiervoor gegeven is sub I.a.
j) Mevrouw [moeder van de erven] heeft de vof opgezegd tegen 31 december 2005 (prod. 5 inleidende dagvaarding) . De opzegging is onder meer geschied vanwege onenigheid over de winstverdeling vanaf het jaar 2000.
in conventiegevorderd, na eiswijziging:
- indien en voor zover de rechtbank van mening zal zijn dat aan mevrouw [moeder van de erven] slechts een vordering als gewezen commanditair vennoot toekwam ten gevolge van haar opzegging d.d. 30 juni 2005 tegen 31 december 2005:
- en:
‘waarbij rekening wordt gehouden met de op dit moment beschikbare informatie over de bodemverontreiniging’. De deskundige heeft bij rapport van 3 februari 2014 de marktwaarde van de onroerende zaak per opnamedatum 3 februari 2014 (en per 1 januari 2012) getaxeerd op € 215.000,- en per 1 januari 2006 op € 200.000,-.
in conventiegeoordeeld dat op de vorderingen onder 4 tot en met 6 niet behoeft te worden beslist en dat de vorderingen onder 1b, 2 en 3 dienen te worden afgewezen bij gebrek aan belang. De rechtbank heeft vervolgens [erflater] veroordeeld om aan [de erven] € 102.708,50 te betalen, dit bedrag te vermeerderen met 5% rente vanaf 1 januari 2011 tot de dag der algehele voldoening.
In reconventieheeft de rechtbank de vordering van [erflater] afgewezen. De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Met
grief 1maakt de executeur bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.2. van dat vonnis, luidend dat tussen partijen vaststaat dat [erflater] aan [de erven] de waarde van hun aandeel in de vennootschap dient uit te keren.
grief 2bestrijdt de executeur het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.7. en r.o. 4.8. van het bestreden vonnis aan, dat erop neerkomt dat de waarde van die onroerende zaak dient te worden gesteld op € 200.000,- per 1 januari 2006 (met als gevolg dat het vermogen van de vennootschap € 205.417,- bedraagt en de waarde van het aan [de erven] toekomende aandeel in het vof-vermogen € 102.708,50).
grief 3verwijt de executeur de rechtbank dat zij de beslissingen in r.o. 4.7. en r.o. 4.8. uitsluitend heeft gebaseerd op de inhoud van de akte, daarbij de invloed van de aanvullende en de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid miskennend, mede gelet op de sinds 1952 gewijzigde omstandigheden.
grief 4maakt de executeur bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.10. van het bestreden vonnis, dat erop neerkomt dat een splitsing van de onroerende zaak (in twee afzonderlijke, over partijen te verdelen zaken) niet wenselijk is.
uitgangspuntis dat de afwikkeling geschiedt op basis van het bepaalde in de akte. Het vof-contract zoals neergelegd in de akte is in 1952 gesloten tussen de [vader van de erven] , [erflater] en hun vader. Na het uittreden van laatstgenoemde in 1965 is de vof op basis van de akte voortgezet door [vader van de erven] en [erflater] . Als rechtsopvolgers van de beide vennoten worden [de erven] en de executeur (althans de erven van [erflater] , in wier belang de executeur optreedt) eveneens gebonden door het bepaalde in de akte.
Het uitgangspunt onder (3) is door de rechtbank neergelegd in het eindvonnis waarvan beroep op basis van een uitleg van de akte. De executeur heeft de juistheid van de door rechtbank gegeven uitleg als zodanig niet bestreden. De executeur heeft ter toelichting op de grief 1 uitsluitend aangevoerd dat [erflater] bereid was om [de erven] (niet meer dan) een ‘redelijke vergoeding’ te betalen en dat hij noch de vof beschikten over de financiële middelen om de volledige waarde van het aandeel te betalen. Deze omstandigheden doen niet af aan de inhoud van de akte en kunnen - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - ook niet afdoen aan verplichtingen die voor [erflater] uit die akte voortvloeien.
onaanvaardbaarmoeten worden geacht. Het beroep op het bepaalde in artikel 6:258 BW Pro kan alleen slagen als [de erven] , gelet op de gevolgen van een niet in het vof-contract verdisconteerde wijziging van omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de ongewijzigde instandhouding van die overeenkomst niet mogen verwachten. In beide gevallen geldt dat de gebondenheid aan de overeenkomst voorop staat en dat alleen in uitzonderlijke gevallen afwijking daarvan op zijn plaats is.
geensprake zou zijn geweest van de bodemverontreiniging. Het tegendeel is het geval, nu de executeur zich uitdrukkelijk en bij herhaling op het standpunt heeft gesteld dat van [erflater] niet kon worden verlangd dat hij, in het kader van de afwikkeling van het einde van de vof, de woning aan de [straatnaam] [nummer 2] zou verlaten. Het is met name deze opstelling van [erflater] geweest (naast het onderling niet op te lossen geschil over de winstverdeling) die ertoe heeft geleid dat de afwikkeling van het einde van de vof lange tijd niet mogelijk is geweest.
nietdat een waardedaling van de onroerende zaak sinds 2006 uitsluitend voor rekening van de erven van [erflater] komt. Volgens de taxateur is die waarde immers (in beperkte mate) gestegen. Gevolg van de vertraging is met name dat aanzienlijk méér rente verschuldigd is dan - waarschijnlijk - bij de oprichting van de vof is voorzien. Gelet op de oorzaak van de vertraging kan niet worden geoordeeld dat [de erven] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
nietmogen verwachten dat de rentebepaling in de akte onverkort wordt toegepast.
De in artikel 347 lid 1 Rv Pro besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven worden aangevoerd. Op deze regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. Redenen om een dergelijke uitzondering te maken zijn in het onderhavige geval echter niet aanwezig. Dat is des te meer het geval nu is gesteld noch gebleken dat de kwestie van de latente belastingschuld (die verband houdt met gebeurtenissen in 2003 en/of 2006) pas is opgekomen ná het nemen van de memorie van grieven. Het hof laat de kwestie van de latente belastingschuld daarom verder onbesproken.
Uit het genoemde artikel 9 volgt Pro dat na de opzegging van de vof, ter berekening van het uit te keren aandeel, een balans en een winst- en verliesrekening moeten worden opgemaakt naar de toestand van de eerste dag van de maand volgend op de opzegging. Dat is in het onderhavige geval 1 januari 2006.
Uit dezelfde bepaling volgt ook dat de jaarrekening moet worden opgemaakt binnen drie maanden na 1 januari 2006. Vast staat dat dit laatste niet is gebeurd. De door de accountant samengestelde jaarrekening, die op 30 mei 2006 door de accountant naar alle partijen is gestuurd, is niet goedgekeurd en dus ook niet vastgesteld, omdat verschil van mening bestond over (onder meer) de daarin opgenomen waarde van de onroerende zaak (te weten:
€ 14.324,-, evenals in de voorgaande boekjaren).
In artikel 9 van Pro de akte wordt bepaald dat de uitkering van het aandeel kan geschieden in vijf jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste verschijnt één jaar na de vaststelling van de balans. Dit betekent dat het verschuldigde pas opeisbaar is ná de vaststelling van de balans.
Nu de executeur geen grief heeft aangevoerd tegen de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum van 1 januari 2011 is het hof daaraan gebonden, zodat de bestreden beslissing in dit opzicht in stand dient te blijven.
4.De uitspraak
27 december 2016.