Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
,
1.Het geding in eerste aanleg (rolnummer 3769782 / 15-544)
2.Het geding in hoger beroep
- de appeldagvaarding;
- de memorie van grieven;
- het audiëntieblad van het pleidooi van 2 november 2016, waarbij mr. Werger namens [geïntimeerde] pleitnotities heeft overgelegd.
3.De beoordeling
intentievan [geïntimeerde] (nogmaals) kennis te kunnen nemen van de in rov 3.1.4 genoemde stukken, geen schending van het geheimhoudingsbeding oplevert; het is niet “
gebruikenvoor eigen activiteiten of die van derden en/of enige advisering ter zake”, als bedoeld in dat beding. Het is ook geen terbeschikkingstelling van vergaarde kennis of stukken aan derden, vgl. de recente uitspraak van het Hof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2016:3313. Daarbij merkt het hof op dat [geïntimeerde] onbetwist naar voren heeft gebracht dat de documenten die hij naar zijn privé e-mailadres heeft gestuurd, bijna allemaal documenten zijn die geen vertrouwelijk karakter hebben en voor een ieder op de site van FMT toegankelijk zijn. Het geheimhoudingsbeding ziet op het strikt geheim
houdenvan informatie omtrent FMT en haar relaties. Wat betreft de inloggegevens van de Kamer van Koophandel heeft [geïntimeerde] reeds bij conclusie van antwoord onbetwist aangevoerd dat het om oude inloggegevens gaat. Met betrekking tot de door FMT geciteerde passage uit het getuigenverhoor van [geïntimeerde] “Ik wilde die thuis nog een keer doorlezen om te zien hoe die dingen in elkaar staken. De informatie was mij wel bekend maar ik wilde het nog een keer kunnen nalezen. Als ik al als makelaar verder wilde gaan, konden die stukken voor mij ook interessant zijn.” geldt dat daaruit niet zonder meer volgt dat [geïntimeerde] het geheimhoudingsbeding daadwerkelijk heeft geschonden; dat is door FMT ook niet verder onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft FMT het feitelijk gebruikmaken door [geïntimeerde] - al dan niet in kader van zijn [de vennootschap] - activiteiten - van de in rov 3.1.4 genoemde stukken niet met concrete voorbeelden gestaafd, zij is in veronderstellingen en algemeenheden blijven steken. Gelet op het voorgaande heeft FMT niet aan haar stelplicht voldaan. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen reden voor een bewijsopdracht aan de zijde van FMT. Ook voor het bepleite voorshands bewijsoordeel, laat staan voor een omkering van de bewijslast, ziet het hof geen aanleiding, met name bij gebreke van gestelde of gebleken feiten waaruit het “gebruiken voor eigen activiteiten of die van derden en/of enige advisering ter zake” als hiervoor bedoeld kan worden afgeleid. De grief faalt dus.
toekomstigebusiness evenmin onrechtmatig.