Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
Het heeft er alle schijn van dat de man achteraf spijt heeft gekregen dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 maart 2016, waarin het gezag over minderjarigen werd toegewezen aan de vrouw. De man stelde dat hij niet tijdig kennis had kunnen nemen van de beschikking en daardoor zijn beroepschrift binnen de termijn had ingediend. Hij voerde aan dat hij op een ander adres stond ingeschreven dan waar hij feitelijk verbleef, waardoor de post hem niet bereikte.
De vrouw betwistte deze stellingen en stelde dat de man reeds in maart 2016 kennis had kunnen nemen van de beschikking, aangezien deze was verzonden naar het officiële BRP-adres waar de man stond ingeschreven. Het hof heeft ambtshalve navraag gedaan bij de griffier van de rechtbank, die bevestigde dat de beschikking op correcte wijze naar het BRP-adres was verzonden en niet retour was ontvangen.
Het hof overweegt dat het de verantwoordelijkheid van de man is om ervoor te zorgen dat post op zijn BRP-adres hem bereikt of om zijn inschrijving aan te passen. Aangezien de beschikking tijdig en correct was verzonden en de beroepstermijn op 2 juni 2016 afliep, terwijl het beroepschrift pas op 12 januari 2017 werd ingediend, verklaart het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep is daardoor niet aan de orde. De beschikking van de rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.