Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[de gefailleerde] B.V.,
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats 2] ,
[geïntimeerde 2] B.V.,
[geïntimeerde 3] ,
[geïntimeerde 4] ,wonende te [woonplaats 3] ,
[geïntimeerde 5] B.V.,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/03/195332 / HA ZA 14-499)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
“(…) [geïntimeerde 5] had een rekening-courant met ons, al jaren lang. Er bestond dus een betalingsverplichting.” Uit een en ander kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerden] . in de zin van art. 154 Rv Pro uitdrukkelijk hebben erkend dat aan [geïntimeerde 5] € 145.859,- is betaald. Voor zover [geïntimeerden] . hebben erkend dat aan [geïntimeerde 5] € 145.859,- is betaald, is die erkenning onverbrekelijk verbonden aan hun stelling dat [geïntimeerde 5] een rekening-courantvordering had ter hoogte van dit bedrag op de gefailleerde. Dit betekent dat de eerste grief van de curator faalt en de grief in het incidenteel appel in elk geval in zoverre slaagt dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de gefailleerde aan [geïntimeerde 5] € 145.859,- heeft betaald.
Tevens is daarbij de rekening-courant schuld van gefailleerde aan [geïntimeerde 5] B.V. ad € 145.859,00 (stand 31 december 2006) geheel afbetaald.”