Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de waarde van zijn recreatiewoning en garage in box 3 van de inkomstenbelasting lager moet worden vastgesteld dan door de Inspecteur gedaan. De recreatiewoning werd volgens belanghebbende door de staat van het pand op de peildatum feitelijk als bouwval beschouwd en de garage zou waardedrukkende gebreken vertonen. De Inspecteur hield vast aan de WOZ-waarden minus de erfpachtcanon voor de recreatiewoning en de WOZ-waarde voor de garage.
Het hof oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de WOZ-waarde als waarderingsgrondslag voor tweede woningen in box 3, ook als deze waarde kan afwijken van de waarde in het economische verkeer. De WOZ-waarde van de recreatiewoning was onherroepelijk vastgesteld en de stelling dat belanghebbende de consequenties daarvan niet had ingezien, kon daaraan niet afdoen.
Ten aanzien van de garage stelde het hof dat de waarde in het economische verkeer in beginsel overeenkomt met de recent betaalde koopprijs, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze niet representatief is. Belanghebbende kon niet voldoende onderbouwen dat de gebreken een waardedruk van meer dan € 500 veroorzaakten. De latere verlaging van de WOZ-waarde en de vraagprijs waren onvoldoende om de waarde te verlagen.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees het hof de vergoedingsverzoeken van belanghebbende af en veroordeelde geen partij in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de waarde van de recreatiewoning en garage wordt vastgesteld op respectievelijk € 70.378 en € 22.000.