Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1] ,
[appellant 2],
[appellant 3],
[appellant 4],
[appellant 5],
[appellante 6],
[appellant 7],
Coöperatieve Rabobank Parkstad Limburg U.A.,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/03/172975 / HA ZA 12-274)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
Ingeval de borg wordt aangesproken en niet aan zijn verplichtingen voldoet zal de bank overgaan tot uitwinning van het blijkens akte op 03-05-1991 (…) ten behoeve van de Rabohypotheekbank N.V. (...) en de Coöperatieve Rabobank [vestigingsnaam] B.A. (…) verbonden registergoed.
(i) scheldt de bank hierbij de restantvordering ten bedrag van € 235.339,- (…), te vermeerderen met de nog te verschijnen rente, kwijt; en
De debiteur (noot hof: [erflater]
) verklaart heden ter leen van de bank te hebben ontvangen en aan haar (…) schuldig te zijn (…) f 125.000,-- (…)”. Gelet op deze bewoordingen in onderling verband en samenhang bezien, ziet het hof (zonder voldoende maar ontbrekende toelichting) niet de relevantie van de klacht van de erven dat de rechtbank niet consistent zou zijn in haar oordeel waar zij heeft opgemerkt dat sprake is van een bij de schuldbekentenis schuldig verklaard bedrag, terwijl de rechtbank ook vermeldt dat het [erflater] vrijstond om een geldlening bij de Rabobank aan te gaan.