Uitspraak
5.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
- het tussenarrest van 10 mei 2016;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 juli 2016;
- de memorie na enquête van [appellante] (met 3 producties, de producties 4 t/m 6);
- de antwoord-memorie na enquête van de curator (met 15 producties, de producties 39 t/m 53);
6.De verdere beoordeling
“(…) Met betrekking tot de beweegredenen om, in verband met het tussen u gesloten huwelijk, huwelijkse voorwaarden aan te gaan, bevestig ik u dat de achtergrond er in was gelegen dat mevrouw [achternaam appellant-achternaam geintimeerde] vanaf 1 oktober 2004 een bedrag van € 300.000,00 had geleend aan de heer [geïntimeerde] . Het was absoluut niet de bedoeling dat de vordering, die mevrouw [achternaam appellant-achternaam geintimeerde] had (…) zou vermengen met het vermogen van de heer [geïntimeerde] (..). Ook was voor partijen duidelijk dat, wanneer zich een gelegenheid zou voordoen dat de heer [geïntimeerde] op korte termijn zou beschikken over gelden, de heer [geïntimeerde] zo snel mogelijk de schuld aan mevrouw [achternaam appellant-achternaam geintimeerde] zou aflossen. Er is toen nog het winnen van de Staatsloterij als voorbeeld genoemd. (…) U heeft mij een transactieoverzicht overgelegd over het jaar 2010. Daarin staan vermeld bedragen van aflossing op de overeenkomst van geldlening (…) U heeft mij gevraagd of dat in strijd was met de gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in vorenbedoelde overeenkomst van geldlening. Naar mijn mening is dat absoluut niet het geval en past dit volledig in het licht van de tussen u beiden en naar bekend zijnde afspraken. (..)”Zoals [de notaris] bij zijn verhoor als getuige verklaarde, behelst deze brief niet meer dan het standpunt van [de notaris] dat aflossingen op de lening niet in strijd waren met de overeenkomst van geldlening. Dat laatste behoeft geen betoog. Een uitdrukkelijke afspraak over de situaties waarin een schuld uit lening direct opeisbaar is, sluit de mogelijkheid tot eerdere aflossing niet uit. Een bedoeling van partijen om bij financiële ruimte tot (eerdere) aflossing van de leenschuld te geraken behoefde daarvoor niet te worden vastgelegd. In de overeenkomst is, naar het hof constateert, overigens wel expliciet onder het hoofdje ‘Aflossing’ bepaald dat de schuldenaar bevoegd is op de hoofdsom of het restant daarvan betalingen als aflossing te doen, zonder dat daartoe enige termijn in acht behoeft te worden genomen. Het enkele feit dat de gedane aflossing niet in strijd is met de gemaakte afspraken brengt verder nog niet mee dat deze aflossing zou moeten worden aangemerkt als voldoening aan een opeisbare verplichting en dat deze op de voet van art. 47 Fw Pro en niet op de voet van art. 42 Fw Pro zouden moeten worden beoordeeld. Het hof ziet in dit onderdeel van de verklaring van [de notaris] dan ook evenmin enige grond om terug te komen op het in r.o. 3.5.2 van het tussenarrest gegeven oordeel.
- [appellante] werd pas vanaf juli 2010 binnen de ondernemingen van [geïntimeerde] actief en had pas vanaf dat moment inzicht in de financiële positie van [geïntimeerde] ; [geïntimeerde] en zij voerden gescheiden administraties; en los daarvan:
- [geïntimeerde] voldeed in 2009 en 2010 op normale wijze aan zijn financiële verplichtingen;
- De discussie met de accountant in februari en maart 2009 had slechts ten doel een factuur van de accountant zoveel mogelijk naar beneden te drukken;
- In februari 2010 was er voor [appellante] geen reden om te veronderstellen dat de investering van [geïntimeerde] in Global State Investment B.V. (zo zij daarmee al bekend was) verkeerd uit zou pakken;
- In 2008 had [geïntimeerde] Financieel Advies (hierna: [Financieel Advies] ) nog een omzet van € 215.703,=. [geïntimeerde] verkocht dus ook na 2007 nog wel financiële produkten;
- Op zichzelf is juist dat Ecowood op 2 december 2008 is gefailleerd maar [geïntimeerde] had geen geld van cliënten in Ecowood belegd. Hij had er privé wel last van maar niet zodanig dat hij in liquiditeitsproblemen kwam;
- De in de opsomming in r.o. 3.6.6 onder iv vermelde becijfering betreft een waardering in januari 2012 naar de situatie per 11 november 2011, waarbij alle beleggingen die niet meteen opeisbaar waren op nihil zijn gewaardeerd. Die situatie was in februari 2010 niet aan de orde, laat staan voorzienbaar dat in januari 2012;
- De faillissementsaanvraag van de heer [heer X.] en mevrouw [mevrouw Y.] speelt pas in 2011, in februari 2010 was dit nog niet voorzienbaar. Bovendien ging het om een faillissementsaanvraag van [Financieel Advies] , niet van [geïntimeerde] privé;
- Op zich is juist dat [geïntimeerde] op 5 november 2008 is verhoord in de zaak waarin hij op 11 oktober 2011 strafrechtelijk is veroordeeld voor belastingontduiking en dat hij vanaf dat verhoor met een dreigende naheffing rekening diende te houden. Tot aan de datum faillissement heeft [Holding] Holding B.V. echter alle naheffingen betaald;
- Voor de brief van 25 augustus 2011 van [geïntimeerde] aan de advocaat van [heer X.] en [mevrouw Y.] geldt eveneens dat [appellante] daarvan in februari 2010 geen wetenschap kon hebben. [geïntimeerde] heeft tot zijn faillissement al zijn crediteuren netjes betaald. [appellante] had in februari 2010 geen aanleiding om te veronderstellen dat [geïntimeerde] privé het hoofd niet boven water zou kunnen houden;
- [appellante] heeft vanaf 19 april 2007 tot en met december 2011 nog in totaal € 153.000,= aan [geïntimeerde] betaald, welk bedrag zij tot op heden niet terugbetaald heeft gekregen.
“(..) Dit neemt niet weg dat wij begrip hebben voor de (financiële) situatie waarin u nu verkeerd, mede ontstaan door het huidige economische klimaat en de ontwikkelingen in de financiële adviesbranche. (…)”Het hof merkt voorts op dat de benarde financiële positie van [geïntimeerde] en zijn bedrijven juist eerder lijkt te worden bevestigd door de door [appellante] zelf gestelde geldstromen (memorie na enquête prod. 6), waaruit onder meer blijkt dat vanaf haar rekening eind 2008 een bedrag van € 20.000,= aan [Investment] Investment werd overgeboekt ter lening en op 24 september 2009 een bedrag van € 9.000,= aan [geïntimeerde] in verband met saldotekort.