ECLI:NL:GHSHE:2017:1910

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 mei 2017
Publicatiedatum
4 mei 2017
Zaaknummer
16/03388
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting 2013 na hoger beroep

Belanghebbende ging in hoger beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2013 opgelegd door de Inspecteur. De rechtbank Zeeland-West-Brabant had eerder een uitspraak gedaan, maar het hof heeft deze vernietigd.

Tijdens de zitting op 13 april 2017 zijn partijen tot overeenstemming gekomen over het belastbaar inkomen uit werk en woning, dat verminderd wordt tot € 35.424. Het hof sluit zich aan bij dit standpunt en vermindert de aanslag dienovereenkomstig.

Daarnaast wordt de Inspecteur verplicht het betaalde griffierecht van belanghebbende, totaal € 169, te vergoeden. Het hof wijst een vergoeding van proceskosten af omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

De uitspraak is op 26 april 2017 mondeling gedaan en op 4 mei 2017 aan partijen verzonden. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van € 35.424 en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Kenmerk: 16/03388
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 april 2016, nummer BRE 15/6415 in het geding tussen
belanghebbende,
en
de Inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de Inspecteur,
betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 13 april 2017 te ‘s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur] .
Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 26 april 2017, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof:
  • verklaarthet hoger beroep gegrond,
  • vernietigtde uitspraak van de Rechtbank,
  • vernietigtde uitspraak van de Inspecteur,
  • vermindertde aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.424, en
  • gelastdat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 169 vergoedt.

Gronden

Ten aanzien van het geschil
Partijen zijn ter zitting tot overeenstemming gekomen in deze zin dat het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden verminderd tot € 35.424. Het Hof sluit zich bij dit eensluidend standpunt van partijen aan.
Ten aanzien van het griffierecht
Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 respectievelijk € 124, in totaal € 169, te vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Belanghebbende heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Slot
Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als bovenvermeld.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
Aldus gedaan door V.M. van Daalen-Mannaerts, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 april 2017.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 4 mei 2017
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.
d. de gronden van het beroep in cassatie
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.
In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.