De zaak betreft een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kinderen en de verhuizing van de moeder naar Frankrijk. De rechtbank had bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zou zijn en haar toestemming gegeven om met de kinderen naar Frankrijk te verhuizen. De man kwam hiertegen in hoger beroep en verzocht om schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze beschikking.
Het hof overwoog dat bij een verzoek tot schorsing van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking een terughoudende toetsing geldt en geen nieuwe feiten mogen worden meegewogen die reeds in eerste aanleg zijn beoordeeld. Het verzoek kan slechts worden toegewezen bij misbruik van recht of nieuwe omstandigheden die zich na de eerste aanleg hebben voorgedaan.
De man stelde dat er sprake was van een kennelijke misslag en dat zijn positie onaanvaardbaar zou worden benadeeld door de verhuizing. Het hof oordeelde echter dat er geen sprake was van misbruik van recht of nieuwe omstandigheden die schorsing rechtvaardigen. De vrouw had een rechtens te respecteren belang bij de verhuizing, en de man kon de kinderen blijven bezoeken, ook in Frankrijk.
Het hof wees het verzoek van de man tot schorsing af en stelde dat de gronden van het hoger beroep in de bodemprocedure beoordeeld moeten worden. De beslissing werd uitgesproken door drie raadsheren op 4 mei 2017.