Uitspraak
GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/192831/HA ZA 14-354)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
- [appellant] aan [de vennootschap 3] en [de vennootschap 5] een positief/negatief hypotheekverklaring heeft afgegeven (bijlage 1);
- [appellant] , [de vennootschap 4] en [de vennootschap 1] een schuldbekentenis met [de vennootschap 5] zijn aangegaan op grond waarvan [de vennootschap 5] bij wijze van lening gehouden was betalingen aan [de vennootschap 3] te verrichten ter voldoening van de betalingsverplichtingen van [de vennootschap 1] jegens [de vennootschap 3] , hierna “de Leningen “(bijlage 2);
- dat voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de Leningen door [appellant] , [de vennootschap 4] en [de vennootschap 1] jegens [de vennootschap 5] zekerheden zijn verstrekt in de vorm van hypotheekrechten ten laste van registergoederen toebehorend aan [appellant] , [de vennootschap 4] en [de vennootschap 1] , hierna “de Hypotheken” een en ander vastgelegd in een notariële akte, hierna “de Hypotheekakte”, waarvan een door partijen gewaarmerkt afschrift aan deze overeenkomst wordt gehecht (bijlage 3);
hof: de vaststellingsovereenkomst] ziet dan ook niet specifiek op het ontstaan van hoofdelijk medeschuldenaarschap, laat staan op borgstelling. Artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en sub c BW mist dan ook toepassing, zodat de door [appellanten c.s.] deswege ingeroepen vernietiging geen doel treft.