Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven met productie;
- de memorie van antwoord;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak gaat het om een geschil tussen een elektrotechnisch installatiebedrijf (appellant) en een elektromonteur (geïntimeerde) over de loondoorbetalingsplicht tijdens het derde ziektejaar na een door het UWV opgelegde loonsanctie. Geïntimeerde was sinds 5 mei 2014 volledig arbeidsongeschikt en appellant stopte met loonbetaling vanaf 1 mei 2016.
Geïntimeerde vorderde betaling van 90% van het bruto loon over de periode vanaf mei 2016, vermeerderd met wettelijke verhogingen en rente, conform de CAO Metaal en Techniek. De kantonrechter wees deze vorderingen toe. Appellant ging in hoger beroep en betoogde dat hij slechts verplicht was 70% van het wettelijk minimumloon te betalen, omdat de CAO na 24 maanden ziekte niet meer van toepassing zou zijn.
Het hof oordeelde dat appellant geen ondubbelzinnige erkenning van de loonvordering had gedaan en dat het standpunt van appellant onvoldoende was onderbouwd. Het hof stelde vast dat het contractuele loon uitgangspunt is en dat de loondoorbetalingsplicht in het derde ziektejaar volgens artikel 7:629 BW Pro 70% bedraagt. Het hof verwierp het betoog van geïntimeerde dat goed werkgeverschap een hogere loonsuppletie vereiste, omdat hij onvoldoende concreet had onderbouwd welke gevolgen het niet voldoen aan re-integratieverplichtingen had.
Het hof vernietigde het vonnis voor zover appellant werd veroordeeld tot betaling van meer dan 70% van het bruto loon en de daarbij behorende verhogingen en rente, en bekrachtigde het vonnis voor het overige. Geïntimeerde werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis voor zover appellant meer dan 70% van het bruto loon moet betalen en bekrachtigt het vonnis voor het overige.