Belanghebbende, gebruiker van een winkelpand, kreeg een aanslag rioolheffing opgelegd tegen het tarief voor niet-woningen. Hij stelde dat dit onderscheid discriminerend was en dat de hoorplicht was geschonden.
De rechtbank wees het beroep af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof benadrukt dat artikel 228a Gemeentewet gemeenten ruime beleidsvrijheid geeft om de rioolheffing met een zekere ruwheid vorm te geven, waaronder het maken van onderscheid tussen woningen en niet-woningen.
Belanghebbende slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de gemeente deze beleidsvrijheid heeft overschreden. Ook de schending van de hoorplicht leidt niet tot andere gevolgen, mede omdat belanghebbende finale geschilbeslechting heeft aanvaard en reeds proceskostenvergoeding ontving in een samenhangende WOZ-zaak.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.