De verdachte werd beschuldigd van het verkopen en aanwezig hebben van hennepolie, een middel op lijst I van de Opiumwet. Tijdens het hoger beroep stelde de verdediging dat sprake was van uitlokking door een opsporingsambtenaar die zich voordeed als een man met een ernstig zieke vrouw. Deze pseudokoper stuurde het gesprek en bracht de verdachte ertoe hennepolie te verkopen, terwijl zij dit niet uit eigen beweging zou hebben gedaan.
Het hof stelde vast dat het eerste bevel tot pseudokoop enkel betrekking had op hennepstekken en dat de verkoop van hennepolie pas later onder een uitgebreid bevel viel. De verdachte had geen eerdere betrokkenheid bij hennepolie en had de olie speciaal voor de pseudokoper laten vervaardigen. Hierdoor concludeerde het hof dat de verdachte enkel op instigatie tot het strafbare feit was gebracht, wat in strijd is met artikel 126i lid 2 Sv (Talloncriterium).
Gezien deze ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde en het recht op een eerlijk proces, verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging. Het eerdere vonnis werd vernietigd en de zaak werd daarmee beëindigd.