ECLI:NL:GHSHE:2017:2986

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 juni 2017
Publicatiedatum
29 juni 2017
Zaaknummer
200.214.809_01 en 02
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62b Wet op de rechterlijke organisatieArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verwijzing hoger beroep naar ander gerechtshof in familierechtzaak

In deze civiele zaak in het personen- en familierecht is het hoger beroep ingesteld door de vader tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant over hoofdverblijf, ouderlijk gezag en zorgregeling van hun minderjarige dochter.

De vader verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring en om verwijzing van het hoger beroep naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waar reeds gerelateerde zaken aanhangig zijn. De moeder verzette zich tegen dit verwijzingsverzoek.

Het hof heeft het verzoek tot verwijzing afgewezen omdat de aangevoerde redenen onvoldoende waren om de zaak naar een ander gerechtshof te verwijzen, ondanks gedeeltelijke overlap in geschilpunten met zaken bij Arnhem-Leeuwarden.

Verder bepaalde het hof dat de vader de volledige processtukken uiterlijk op 21 juli 2017 moet overleggen en de moeder tot 8 augustus 2017 de gelegenheid krijgt een verweerschrift in te dienen. Er zal geen mondelinge behandeling plaatsvinden over het verwijzingsverzoek.

Uitkomst: Het verzoek tot verwijzing van het hoger beroep naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 29 juni 2017
Zaaknummers: 200.214.809/01 en 200.214.809/02
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/290500 / FA RK 15-1001_2
in de zaken in hoger beroep van:
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 februari 2017 inzake hoofdverblijf, ouderlijk gezag en zorgregeling betreffende de minderjarige dochter van partijen [de minderjarige] .

2.Het geding in hoger beroep

De vader is op 28 april 2017 in hoger beroep gekomen tegen voormelde beschikking. Tevens heeft hij verzocht om schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Uit zijn appelschrift blijkt voorts dat de vader het hof heeft verzocht om verwijzing van zijn appel naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, alwaar reeds voorligt:
(na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad d.d. 8 juli 2016) het beroep, door de vader oorspronkelijk bij het hof ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2015 en
het beroep, door de vader op 25 oktober 2016 bij het hof ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 juli 2016, welk beroep het hof op 24 november 2016 naar het hof Arnhem-Leeuwarden heeft verwezen.
Namens de moeder heeft haar advocaat zich bij brief van 12 mei 2017 tegen het verwijzingsverzoek van de vader verzet.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de V6 formulieren van de zijde van de advocaat van de moeder van 31 mei 2017 en de advocaat van de vader van 1 juni 2017.
Partijen hebben het hof schriftelijk medegedeeld dat inzake het verwijzingsverzoek een mondelinge behandeling achterwege kan blijven.
Zoals bepaald in artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie kan het gerechtshof een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is. Het hof is van oordeel dat het verwijzingsverzoek van de vader dient te worden afgewezen. Weliswaar behelst het thans door de vader ingestelde beroep en daarmee samenhangende schorsingsverzoek deels dezelfde geschilpunten als die welke ook eerder aan het hof Arnhem-Leeuwarden zijn voorgelegd, maar het hof ziet in hetgeen is aangevoerd geen reden tot verwijzing van de onderhavige zaken naar het hof Arnhem-Leeuwarden.

3.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek tot verwijzing naar hof Arnhem-Leeuwarden af;
bepaalt dat de vader de volledige processtukken van de eerste aanleg uiterlijk op 21 juli 2017 aan het hof en de moeder dient over te leggen;
bepaalt voorts dat de moeder uiterlijk tot 8 augustus 2017 de gelegenheid heeft een verweerschrift zowel in de hoofdzaak als in het schorsingsincident in te dienen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, P.M.M. Mostermans en J.C.E. Ackermans-Wijn en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.