In deze civiele zaak gaat het om een geldleningsovereenkomst waarbij geïntimeerde €15.000 heeft uitgeleend aan appellant, die deze lening in 50 maandelijkse termijnen van €300 zou terugbetalen. Geïntimeerde vorderde betaling van een restant hoofdsom van €11.700 plus boete, rente en incassokosten.
De kantonrechter oordeelde dat appellant niet had bewezen de lening volledig te hebben afgelost en veroordeelde hem tot betaling van het gevorderde bedrag. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel volledig had afgelost en betwistte de bewijswaardering van de kantonrechter.
Het hof onderschrijft de bewijswaardering van de kantonrechter en acht de ingebrachte schriftelijke stukken en verklaringen onvoldoende. Echter, het hof staat appellant toe nader bewijs te leveren door het horen van getuigen, waaronder drie genoemde getuigen, en bepaalt de procedure voor het getuigenverhoor. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd.