Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, een restaurant gevestigd te een vestigingsplaats, had omzetbelasting aangegeven en voldaan over het vierde kwartaal van 2014. Na bezwaar tegen de opgelegde voldoening verklaarde de Inspecteur het bezwaar ongegrond. Belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep eveneens ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Het geschil betrof de vraag welk btw-tarief van toepassing is op de door belanghebbende verstrekte alcoholhoudende dranken: het lage tarief van 6% of het hoge tarief van 21%. Belanghebbende voerde aan dat het lage tarief van toepassing zou moeten zijn, terwijl de Inspecteur het hoge tarief handhaafde.
Tijdens de zitting op 29 juni 2017 werden namens belanghebbende haar vennoten gehoord, evenals vertegenwoordigers van de Inspecteur. Het hof oordeelde dat de rechtbank op goede gronden had beslist en bevestigde de uitspraak dat het hoge tarief van 21% van toepassing is op de alcoholhoudende dranken die door belanghebbende werden verstrekt.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek tot teruggaaf van omzetbelasting afgewezen. Het hof wees ook een vergoeding van het griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat het hoge btw-tarief van 21% van toepassing is op alcoholhoudende dranken in het restaurant en verklaart het hoger beroep ongegrond.