Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/285519 HA ZA 14-801)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met producties 10 tot en met 12.
3.De beoordeling
a) [appellant] en [appellante] zijn op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Zij hadden in gezamenlijk eigendom het appartementsrecht recht gevende op het uitsluitend gebruik van een woning c.a. te [plaats 1] (hierna te noemen: de woning).
vrijgave alle zekerheden” door de [bank 2] . Uit de “verdere uitwerking financieringsvoorstel” blijkt dat de geldlening van € 95.000,-- uitsluitend gebruikt mocht worden voor de financiering van investering/bedrijfskapitaal en het krediet van € 100.000,-- voor de financiering van de bedrijfs- of beroepsuitoefening van de B.V.
verbindt zich bij deze – hoofdelijk – jegens de bank als borg voor de debiteur[de B.V.]
tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van de debiteur te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van
Ten tweede oordeelde de rechtbank dat [appellante] op grond van de hypotheekakte van 22 januari 2008 tegen zich moet laten gelden dat de opbrengst van (ook haar aandeel in) de woning wordt gebruikt voor aflossing van de schuld van [appellant] uit de borgtocht.
- de financiering bedoeld was om, tot een bedrag van ongeveer € 90.000,-- aanzienlijke investeringen te doen (het maken van een winkel in het bedrijfspand en het kopen van een mal om campers te maken),
dergelijke investeringen voorheen nooit waren gedaan” (memorie van grieven sub 19) slechts betrekking kan hebben op de onderneming die [appellant] vóór de oprichting van de B.V. dreef in de vorm van een vennootschap onder firma dan wel een eenmanszaak. Nu verder niets is gesteld over de aard van die toen gedreven onderneming en de daaruit voor [appellant] voortvloeiende risico’s, is deze stelling weinigzeggend. De B.V., met haar eerder genoemde doel, is immers pas opgericht op 27 april 2012.
de comparanten sub A 1 en 2, zowel ieder voor[zich]
als tezamen”. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellanten] aan de bank aldus een hypotheekrecht hebben verstrekt voor schulden, waaronder schulden uit borgstellingen, ongeacht of deze staan op naam van [appellanten] gezamenlijk of [appellant] dan wel [appellante] afzonderlijk. Gelet op de inhoud van de hypotheekakte is dat oordeel juist. Het hof verwijst naar de laatst weergegeven alinea in r.o. 3.2.b. hiervoor, vermeld op de op één na laatste pagina van de hypotheekakte die [appellanten] als productie 14 bij inleidende dagvaarding zelf hebben overgelegd. In de toelichting op de grief gaan [appellanten] voorbij aan dit deel van die akte, waarop de rechtbank kennelijk haar oordeel heeft gebaseerd.