Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[de maatschap],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr 3175070/181/rolnr. 14-5632)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
B. de (wettelijke handels)rente zijnde 8,25% per jaar over de hoofdsom vanaf 14 dagen na de factuurdata tot aan de dag der algehele voldoening;
faillissement afwachten of creditnota sturen” waarbij hij niet speciaal één van beiden heeft geadviseerd. Nadat [appellante] vervolgens zou hebben gezegd dat zij dan voor de creditnota wilde kiezen, heeft [medewerker van geïntimeerde] niets gezegd, aldus [appellante] blijkens het proces-verbaal. In de pleitnotitie die in eerste aanleg door [appellante] is overgelegd is nog vermeld dat mag worden verwacht dat [geïntimeerde] op de risico’s wijst (nr. 7). Daarmee heeft [appellante] aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten omdat [geïntimeerde] [appellante] niet uitdrukkelijk heeft afgeraden en/of [appellante] niet uitdrukkelijk heeft gewezen op de risico’s van het opmaken van creditnota’s.