Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
wonende te [woonplaats 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
wonende te [woonplaats 1]
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/286478 HAZA 14-857)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het anticipatie exploot van 21 september 2015;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties;
- de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel;
- de conclusie van eis houdende een verzoek tot voeging ex art. 222 Rv Pro;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
- subsidiair: een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en/of dat [geïntimeerde] gehouden is tot vergoeding van de schade die zij lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van voorzitter van SVGK, op te maken bij staat,
- primair en subsidiair: met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure.
- in eerste aanleg niet is gebleken van aan [appellanten] te maken ernstige persoonlijke verwijten die hun aansprakelijkheid zouden kunnen dragen,
- het enkele moeten terugbetalen van de subsidie door SVGK daartoe niet voldoende is,
- het zeer de vraag is (i) of de Minister zal overgaan tot het aansprakelijk stellen van [appellanten] en (ii) of [appellanten] belang hebben bij de gevraagde verklaring voor recht
- vanwege de onduidelijkheid over de verwijten die de Minister aan [appellanten] zou (kunnen) maken, geen inhoudelijk oordeel kan worden gegeven over de vraag of [geïntimeerde] op zijn beurt jegens [appellanten] aansprakelijk is.
“(…) OCW heeft een subsidierelatie met de SVGK. Om die reden stel ik mijn vordering in bij het bestuur van de SVGK. Het bestuur – en daarmee de zittende bestuursleden – is verantwoordelijk voor terugbetaling van onverschuldigd betaalde subsidie. (…)”in de brief van 18 juli 2014 (zie 3.2. sub k.) leest het hof, anders dan [appellanten] hebben aangevoerd tijdens het pleidooi in hoger beroep, ook niet een dergelijk voornemen van de Minister. Het gaat hier immers ook blijkens de rest van de brief en de daarin genoemde wetsartikelen juist om een
terugvorderingvan het subsidiebedrag bij SVGK als partij die dit bedrag ontvangen heeft, en niet om een
aansprakelijkstellingvan [appellanten] in privé. Daarnaast hebben [appellanten] in de memorie van grieven in het geheel geen inhoudelijke stellingen gewijd aan hun gestelde eigen aansprakelijkheid in privé. Nu zij ook in hoger beroep niet duidelijk maken op grond van welke verwijten de Minister [appellanten] zou kunnen aanspreken, kan niet beoordeeld worden of en zo ja, in hoeverre, [appellanten] schade kunnen verhalen op [geïntimeerde] .
- ambtenaren van het Ministerie (nauw) betrokken waren bij het inkleden van de subsidie aanvraag in 2008 en bij de op 19 november 2012 door SVGK aangeleverde verantwoording (zie 3.2. sub e),
- een aantal (deel)projecten waarvoor subsidie is verleend, ook daadwerkelijk is uitgevoerd,
- de Minister ten tijde van het toekennen van de subsidie er geen bezwaar tegen had dat: (a) de subsidie werd verleend aan SVGK en (b) SVGK op haar beurt BPG inschakelde voor de (deel)projecten (aan BPG als BV kon geen subsidie worden verleend) en (c) SVGK de subsidiebedragen doorbetaalde aan BPG,
- [geïntimeerde] geen inhoudelijke inbreng heeft gehad bij de intrekking van de goedkeurende verklaring door SAB en daartoe ook niet is uitgenodigd.