Uitspraak
1.Het procesverloop
3.De beoordeling
af;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Verzoeker heeft tijdens een zitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep een wrakingsverzoek ingediend tegen de drie behandelende raadsheren, stellende dat zij vooringenomen zouden zijn. Hij baseerde dit op het feit dat de voorzitter hem onderbrak tijdens zijn toelichting, het niet vragen naar de identiteit van twee aanwezige getuigen, het nalaten van bijzitters om de voorzitter hierover te informeren, en het feit dat de voorzitter eerdere strafzaken van verzoeker had behandeld.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering, waarbij het uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen voor het tegendeel zijn. De kamer oordeelde dat het onderbreken van verzoeker door de voorzitter een normale procesorde waarborgt en geen blijk geeft van vooringenomenheid.
Voorts was het verwijderen van de twee aanwezige personen prematuur omdat het hof nog niet had beslist over het horen van getuigen. Het enkele feit dat de voorzitter eerdere strafzaken van verzoeker behandelde, vormt volgens vaste jurisprudentie geen grond voor wraking.
De wrakingskamer concludeerde dat noch uit de gestelde feiten noch objectief gerechtvaardigde vrees vooringenomenheid bleek. Het wrakingsverzoek werd derhalve afgewezen en het proces werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens het ontbreken van vooringenomenheid.