Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser en de Gemeente als gedaagde.
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3745087/431 15-301)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met producties;
- de akte van [appellant] ;
- de antwoordakte van de Gemeente.
3.De beoordeling
b) De Gemeente is eigenaar van de openbare weg [openbare weg] . In het trottoir bij de weg, dat eveneens in eigendom toebehoort aan de Gemeente, bevinden zich - ter hoogte van de voorkant van de eigendommen van [appellant] - twee haagbeuken (hierna: de bomen).
1) de Gemeente te veroordelen om de overhangende takken te verwijderen binnen een maand na het wijzen van vonnis, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom en onder machtiging van [appellant] om, als de Gemeente niet vrijwillig gevolg geeft aan de veroordeling, zelf datgene te doen waartoe de Gemeente wordt veroordeeld, zulks voor rekening en risico van de Gemeente,
Uit het vonnis waarvan beroep blijkt niet dat de kanonrechter bij de beoordeling van de vordering rekening heeft gehouden met deze rechtsregel en het daarop gebaseerde recht om - onder voorwaarden - eigenrichting te plegen. [appellant] heeft belang bij een beoordeling van zijn vordering op deze grondslag, omdat op de aan het bepaalde in artikel 5:44 BW Pro ten grondslag liggende rechtsregel ook een beroep kan worden gedaan in situaties dat door de overhangende beplanting géén onrechtmatige hinder wordt toegebracht.
In verband met de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof in dat kader alle in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde verweren van de Gemeente, voor zover in hoger beroep niet prijsgegeven, beoordelen. Dat is met name relevant in verband met het beroep op misbruik van recht, zoals door de Gemeente gedaan.
In hetzelfde kader zal het hof tevens ingaan op hetgeen [appellant] heeft gesteld in zijn toelichting op grief II, die als zodanig evenwel buiten behandeling zal blijven, omdat geen sprake is van een ‘echte’ grief, gericht tegen een beslissing van de kantonrechter.
Gelet op dit een en ander is [appellant] ’ vordering om de Gemeente te veroordelen om de overhangende delen van de bomen te verwijderen in beginsel toewijsbaar.
Het beroep op misbruik van recht is een zelfstandig verweer. Dat betekent dat de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast ter zake rusten op de Gemeente.
De Gemeente is, zo stelt zij voorts, serieus ingegaan op de verzoeken van [appellant] om de bomen te snoeien, heeft deze verzoeken getoetst aan de geldende regels en het vastgestelde beleid en heeft voorts een onafhankelijke deskundige (Cobra boomadviseurs B.V. te [vestigingsplaats] , hierna: Cobra) ingeschakeld om de situatie ter plaatse te beoordelen. De Gemeente is op grond van dit een en ander tot de conclusie gekomen dat de verzoeken van [appellant] niet behoren te worden gehonoreerd. Aan de snoei zoals verlangd kleven namelijk te veel nadelen.
Volgens de deskundige kan het wegnemen van de overhangende takken alleen geschieden op een manier die impact heeft op de algehele kwaliteit van de beide bomen. Het verwijderen van de overhangende taken kan volgens de deskundige gebeuren op twee - door de deskundige nader beschreven - manieren. De deskundige heeft de sterke voorkeur voor de methode waarbij alle overhangende takken worden ingekort tot op de erfgrens (hierna: methode B). Deze methode B is volgens de deskundige namelijk minder nadelig voor het uiterlijk en de conditie van de bomen. Ter hoogte van de snoeiplekken zullen echter nieuwe scheuten ontstaan, die elkaar zullen gaan verdringen en waardoor takken uiteindelijk zullen uitbreken. Begeleidingssnoei is daarom noodzakelijk en de verwachting is dat de bomen eerder dan verwacht zullen moeten worden vervangen als gevolg van kwaliteitsverlies.
Met de snoei zoals verlangd door [appellant] wordt, al met al, het groenbeleid van de Gemeente doorkruist en ontstaan aanzienlijke kosten, aldus de Gemeente. Daar komt bij dat als de Gemeente de bomen zal snoeien zoals verzocht door [appellant] , zal daarom namelijk ook elders in de gemeente worden verzocht.
Bij een afweging van de relevante belangen is sprake van een onevenredigheid tussen de belangen van [appellant] bij de uitoefening van de uit artikel 5:44 BW Pro voortvloeiende rechten en de belangen van de Gemeente die daardoor worden geschaad; de belangen waarvoor de Gemeente opkomt wegen duidelijk zwaarder, aldus nog steeds de Gemeente.
Kennelijk wil de Gemeente de rechten en belangen van [appellant] niet serieus nemen. Dat is des te meer te betreuren nu sprake is van onrechtmatige hinder. Het betreft hier het ontnemen van licht en daarnaast de overlast als gevolg van afvallende bladeren, duivenpoep luizenafscheiding en voorjaarsbloesem. Daardoor is [appellant] genoodzaakt om twee keer per jaar zijn dak te ontdoen van bladeren en mos. Door de snoei tot op de erfgrens wordt een aanzienlijke overhang weggenomen en zal deze overlast dienovereenkomstig sterk verminderen.
Op advies van Cobra heeft de Gemeente in 2011 verscheidene bomen in de gemeente gekapt en/of gesnoeid, zo ook bomen in de [openbare weg] . Deze snoei heeft enkel plaatsgevonden omdat de bomen een ‘boomveiligheidsrisico’ vormden, niet (ook) vanwege door bewoners ervaren overlast of overhangende takken. De bomen vóór de woning van [appellant] vormden geen enkele risico voor de veiligheid en zijn om die reden niet gesnoeid. Van willekeur is dus geen sprake.
De heer [medewerker van Cobra] (hierna: [medewerker van Cobra] ) van Cobra heeft een schriftelijke reactie opgesteld op het rapport van [adviseurs en taxateurs] . Waar bomen in de [openbare weg] zijn gesnoeid, was dat volgens [medewerker van Cobra] nodig vanwege de verkeers- en boomveiligheid. Door de snoei worden deze bomen zo lang mogelijk behouden, tot ook snoei geen perspectief meer biedt en de boom wordt vervangen. De bomen voor de woning van [appellant] zijn volgens [medewerker van Cobra] gezond, hebben geen gebreken en behoeven daarom geen boomveiligheidssnoei.
De Gemeente heeft gemotiveerd gesteld hoe haar beleid ter zake de bomen in [plaats] is, welke belangen de Gemeente met dat beleid wil dienen en dat de beide bomen vóór de woning van [appellant] , als uitvloeisel van dat een en ander, niet zijn gesnoeid omdat zij, anders dan de meeste andere bomen in de straat, volledig gezond zijn en vanuit het belang van de (boom)veiligheid geen snoei behoeven.
stelt dat de beslissing van de Gemeente om de bomen vóór zijn woning niet te snoeien neerkomt op willekeur, maar heeft die stelling - gelet op al hetgeen de Gemeente heeft gesteld en met producties heeft gestaafd - niet deugdelijk onderbouwd. [appellant] heeft verder niet betwist dat de Gemeente beleid voert dat is gericht op het behoud van het groene karakter van [plaats] en dat in dat kader groot belang wordt gehecht - in theorie én praktijk - aan het behoud van de bomen in de gemeente, waaronder de bomen in de [openbare weg] met inbegrip van de bomen voor de woning van [appellant] .
De Gemeente heeft verder gemotiveerd gesteld waarom [appellant] onvoldoende belang heeft bij de verwijdering van de overhangende delen van de bomen. Ook deze stellingen heeft [appellant] onvoldoende weerlegd. Met name had het op de weg van [appellant] gelegen om duidelijker aan te geven welke overlast hij in concreto ondervindt van de in algemene zin door hem gestelde overlast (bladeren, duivenpoep e.a.), waarom niet van hem kan worden gevergd dat hij deze overlast duldt en - met name - waarom het wegnemen van uitsluitend de overhangende takken een adequate oplossing vormt voor de problemen zoals door hem ervaren. [appellant] heeft het hoofdzakelijk gelaten bij de algemene stelling dat snoeien tot op de erfgrens betekent dat een aanzienlijke overhang wordt weggenomen, zodat de overlast van de bomen dienovereenkomstig sterk zal verminderen. [appellant] is daarmee onvoldoende concreet ingegaan op de stelling van de Gemeente dat de bomen ook nadat zij zijn gesnoeid voor de door [appellant] geconstateerde overlast zullen zorgen, evenals de andere bomen in de straat (en in de tuin van [appellant] ).
heeft ten slotte niet gesteld dat, en waarom, de overhangende takken als zodanig voor hem bezwaarlijk zijn. Het hof wijst erop dat de Gemeente onweersproken heeft gesteld dat de takken vanaf een hoogte van 9,15 meter overhangen, tot op 2,7 meter van de boeiboord van het dak van de woning van [appellant] (zie r.o. 3.6.1.). Hiervan uitgaande oordeelt het hof dat de overhangende takken [appellant] niet beperken in het gebruik van zijn voortuin en dat zij ook geen schade toebrengen aan [appellant] ’ woning. [appellant] heeft niets gesteld dat hieraan afdoet.
lid 2-slot BW en kan [appellant] op grond van het bepaalde in artikel 5:44 BW Pro geen recht doen gelden op de veroordeling van de Gemeente zoals door hem gevorderd.
Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, de hier niet aan de orde zijnde betekenis van specifieke wettelijke regels daargelaten, afhankelijk is van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen (zie onder meer HR 15 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0150 (Aalscholvers)).
Daar komt bij dat bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van - al dan niet - onrechtmatige hinder rekening moet worden gehouden met de belangen die worden gediend met de hinder-veroorzakende gebeurtenis. Zoals in r.o. 3.6.7. is gebleken, past het niet-snoeien van de bomen in het groenbeleid van de Gemeente en de daardoor te dienen (algemene) belangen.