Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/270614/HA ZA 13-746)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven houdende aanvulling van de gronden en wijziging van eis;
- de memorie van antwoord tevens incidenteel appel met producties;
- de memorie van antwoord in het incidenteel appel met productie.
3.De beoordeling
Partijen hebben over een weer aangegeven (dat – hof) zij financieel weer in de situatie gebracht worden zoals die bestond voorafgaand aan hun samenwoning aangevangen in 2004. Partijen stellen beiden dat [appellante] toen een hypothecaire geldlening had van € 121.700,00 en [geïntimeerde] van € 100.000,00. Het verschil tussen deze hypothecaire geldlening en de gezamenlijk door hen op 10 februari 2006 aangegane hypothecaire geldlening van € 276.000,00 is € 54.800,00. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen zijn zij, teneinde hun hoofdelijke aansprakelijkheid te beëindigen, splitsing van de lening overeengekomen op de in het proces-verbaal van de comparitie aangegeven wijze en voorts dat [geïntimeerde] in maart 2015 zijn advocaat zal berichten over de mogelijkheid tot die splitsing van de gezamenlijke schuld. De advocaat van [appellante] heeft bij B5-formulier van 26 maart 2015 meegedeeld dat [geïntimeerde] heeft laten weten dat hij de hypotheek nog niet kan overnemen. Nu de lening gelet daarop niet gesplitst kan worden in die zin dat partijen ieder voor zich een hypothecaire geldlening kunnen afsluiten ter vervanging van de gezamenlijk afgesloten lening, moet hetgeen partijen ter gelegenheid van de comparitie met het oog op splitsing overeengekomen zijn geacht worden niet langer te gelden.
.