Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde in één geschrift vervatte uitspraken van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een B.V., voerde in hoger beroep aan dat bij de bepaling van het gebruikelijk loon op grond van artikel 12a Wet LB ook het loon uit vroegere dienstbetrekking, zoals pensioenuitkeringen, moet worden betrokken. De Inspecteur stelde dat alleen het loon uit de tegenwoordige dienstbetrekking relevant is.
Het Hof oordeelde dat de tekst en strekking van artikel 12a Wet LB duidelijk maken dat het fictief loon moet worden bepaald zonder rekening te houden met loon uit vroegere dienstbetrekking. Het doel van de regeling is het vaststellen van een zakelijk loon voor de werkzaamheden die de dga verricht voor de B.V., waarbij pensioenuitkeringen niet als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking worden meegeteld.
Verder stelde belanghebbende dat het gebruikelijk loon voor 2012 en 2013 lager moest worden vastgesteld vanwege minder gedeclareerde uren. Het Hof verwierp dit, omdat het aantal gedeclareerde uren niet voldoende aanleiding geeft om af te wijken van het vaste gebruikelijk loon van € 60.000, dat met een doelmatigheidsmarge werd toegepast.
Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraken van de Rechtbank. Tevens wees het Hof de vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de Rechtbank bevestigd.