De vrouw kwam in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarin de partneralimentatie van de man was vastgesteld op €1.173 per maand met ingang van 9 december 2015. De vrouw betwistte onder meer de behoefte van de man, haar draagkracht, de ingangsdatum en de duur van de alimentatie.
Het hof stelde vast dat partijen waren gehuwd geweest en dat zij in het echtscheidingsconvenant de huwelijksgerelateerde behoefte van de man hadden bepaald op 60% van het netto gezinsinkomen, wat neerkwam op €3.239 netto per maand. De man was vervroegd met pensioen gegaan in overleg met de vrouw, waardoor hij behoefte had aan aanvullende alimentatie. De vrouw had een hogere woonlast dan door de rechtbank was aangenomen, waardoor haar draagkracht lager was.
Het hof oordeelde dat de ingangsdatum van de alimentatie terecht was vastgesteld op 9 december 2015 en dat de vrouw een draagkracht had van €969 bruto per maand, wat resulteerde in een alimentatieverplichting van €757 bruto per maand. Het verzoek tot limitering van de alimentatie werd afgewezen, maar het hof erkende dat de vrouw op termijn minder uren kan gaan werken, wat een grondslag kan vormen voor wijziging van de alimentatie. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de alimentatieverplichting van de vrouw werd verlaagd tot €757 per maand met ingang van 7 december 2015.