ECLI:NL:GHSHE:2017:4710

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 oktober 2017
Publicatiedatum
2 november 2017
Zaaknummer
200.219.519_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:266 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging ouderlijk gezag moeder over minderjarige in belang van stabiliteit

De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarbij het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind werd beëindigd. De minderjarige verblijft sinds 2015 vrijwillig bij de pleegmoeder, de grootmoeder van moederszijde, en staat sinds 2016 onder toezicht van de GI. De moeder betwistte de beëindiging van het gezag en voerde aan dat zij haar leven op orde brengt en binnen een aanvaardbare termijn weer voor het kind kan zorgen.

Tijdens de zitting verscheen de moeder niet, maar haar advocaat benadrukte haar wens om het gezag terug te krijgen zodra haar situatie stabiel is. De raad en GI stelden dat de moeder onvoldoende meewerkt aan hulpverlening, geen stabiele woonplaats heeft en de omgangsregeling met het kind niet nakomt. De pleegmoeder bevestigde dat het kind het goed heeft en behoefte heeft aan stabiliteit.

Het hof oordeelde dat het kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd indien het gezag bij de moeder blijft en dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zal zijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen. Gezien de onduidelijkheid over de situatie van de moeder, haar nalatigheid in hulpverlening en het belang van het kind bij rust en duidelijkheid, werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige vanwege het belang van stabiliteit en het ontbreken van een aanvaardbare termijn voor herstel.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak : 12 oktober 2017
Zaaknummer : 200.219.519/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/318246/ FA RK 17-980
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W. Kolmans,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
verweerder,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna te noemen: de GI);
- [pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 9 mei 2017.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 juli 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de raad (tot beëindiging van het gezag van de moeder over de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] ) wordt afgewezen.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2017, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 september 2017.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de advocaat van de moeder, mr. Kolmans.
- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de grootmoeder moederszijde, hierna te noemen: de pleegmoeder.
2.3.1.
De moeder is
,hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 april 2017;
  • het V6 formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 25 augustus 2017.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de moeder is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.
3.2.
[minderjarige] verblijft sinds 16 september 2015 op vrijwillige basis bij de pleegmoeder.
[minderjarige] staat sinds 11 februari 2016 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 11 februari 2018. [minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 11 februari 2016 uit huis geplaatst in het netwerkpleeggezin van de pleegmoeder; deze maatregel is voor het laatst verlengd tot uiterlijk 11 februari 2018.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder beëindigd.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, - kort samengevat - aan dat er geen gegronde reden is om haar ouderlijk gezag te beëindigen nu er volgens haar niet aan het wettelijk criterium voor gezagsbeëindiging is voldaan.
In de beschikking van 1 februari 2017, inzake de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, heeft de kinderrechter immers nog overwogen dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de verzorging van [minderjarige] weer geheel zelfstandig op zich kan nemen binnen een voor hem aanvaardbare termijn van één jaar. Deze overweging heeft de moeder vertrouwen gegeven en daarom is het voor haar onbegrijpelijk dat de kinderrechter een aantal maanden daarna oordeelt dat de aanvaardbare termijn is verstreken en dat er geen reëel vooruitzicht is dat de moeder weer zelfstandig de opvoeding en verzorging voor haar rekening kan nemen.
De moeder probeert haar leven zo goed mogelijk op orde te brengen. Zij heeft een project bij Novadic positief afgesloten en is clean. Verder is zij bezig om geschikte huisvesting te vinden. Zij hoopt dat zij hiervoor de tijd krijgt, althans tot de volgende beoordeling van de machtiging tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in februari 2018.
Hoewel de moeder inziet dat het belangrijk is voor [minderjarige] om duidelijkheid te krijgen, is zij van mening dat het feit dat [minderjarige] bij de pleegmoeder kan blijven wonen op dit moment voldoende duidelijk is. Zij hoopt dat zij nog een kans krijgt om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] toch op zich te nemen op het moment dat zij haar leven op orde heeft; zij heeft immers jarenlang voor hem gezorgd.
Het zou beter zijn als er in de komende periode meer wordt geïnvesteerd in het herstel van de band tussen de moeder en [minderjarige] en het herstel van vertrouwen bij [minderjarige] in haar.
3.5.1.
Ter zitting heeft haar advocaat daaraan toegevoegd dat de moeder inmiddels samenwoont met haar nieuwe partner en zij zich, als die relatie bestendig is, wel in staat acht om de opvoeding van [minderjarige] weer op zich te nemen. Verder wil de moeder het beste voor [minderjarige] en ondersteunt zij de plaatsing bij de pleegmoeder.
3.6.
De raad heeft ter zitting aangevoerd dat het goed gaat met [minderjarige] bij de pleegmoeder. Hij woont daar nu twee jaar. De raad handhaaft het standpunt dat de aanvaardbare termijn is verstreken en verzoekt het hof om de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
3.7.
De GI voert in het verweerschrift - kort samengevat - aan dat de moeder de bezoekregeling in de praktijk niet altijd na komt. Ze komt te laat, of verplaatst de regeling. [minderjarige] wordt boos als de moeder niet komt.
In de periode van 21 april 2017 tot 4 juli 2017 is de moeder niet alleen de bezoekregeling niet nagekomen maar heeft zij ook niet gereageerd op contactverzoeken van de jeugdzorgwerker. Nadien heeft de moeder aangegeven dat zij nalatig is gebleven omdat zij op de vlucht was voor een loverboy en hierdoor geen contact kon opnemen met de GI.
De moeder heeft verder niet deelgenomen aan het multidisciplinair overleg van 10 mei 2017. Ook is zij niet verschenen op het daarna geplande overleg van 6 juni 2017. Wij- [vestigingsnaam] heeft sinds 1 juni 2016 geen contact meer gehad met de moeder. Het Fact van de GgzE heeft zich teruggetrokken omdat de moeder de hulpverlening niet nakomt en haar afspraken niet afbelt.
Sinds juni 2017 heeft de moeder geen hulpverlening ontvangen. Daarnaast beschikt zij niet over stabiele huisvesting.
[minderjarige] heeft een KOPP traject gevolgd bij GgzE en krijgt van daaruit nazorg. De hulpverlening (in het bijzonder een psychologisch onderzoek) van [minderjarige] is verder niet van de grond gekomen aangezien de moeder daarvoor geen toestemming gaf.
Het is in het belang van [minderjarige] dat hij niet opnieuw in onzekerheid wordt gebracht over zijn perspectief. Hij wil verder opgroeien bij de pleegmoeder en niet terug naar de moeder.
Dit brengt angsten bij hem teweeg. De GI benadrukt dat [minderjarige] bovenal behoefte heeft aan duidelijkheid.
3.7.1.
Ter zitting is namens de GI voorts nog opgemerkt dat het goed gaat met [minderjarige] en hij graag bij de pleegmoeder wil blijven wonen. Inmiddels is het psychologisch onderzoek ten aanzien van [minderjarige] gestart.
Na 4 juli 2017 hebben er twee begeleide omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] plaatsgevonden. Tijdens deze momenten heeft de moeder laten zien dat zij te weinig aansluiting heeft bij [minderjarige] . Verder heeft de GI begrepen dat de moeder thans geen vaste woon - en verblijfplaats heeft en zij zwanger is. De stelling van de moeder is dat zij vanwege haar ongeboren kind geen hulp kan ontvangen.
3.8.
Door de pleegmoeder is ter zitting aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige] , hij gaat nu naar groep 7 en doet het goed in de klas. [minderjarige] voelt zich thuis bij de pleegmoeder.
Er zijn goede afspraken gemaakt met de GI. Elke dinsdag belt [minderjarige] met de moeder en de begeleide momenten gaan nu ook beter. Tijdens de begeleide omgangsmomenten doen de moeder en [minderjarige] leuke spelletjes samen.
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
3.9.1.
Ingevolge artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
3.9.2.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof, na eigen beoordeling en waardering, overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.
3.9.3.
Het hof voegt daar nog het navolgende aan toe.
Gebleken is dat [minderjarige] in de periode dat hij bij de moeder opgroeide veel onrust heeft gekend. Hij woont inmiddels twee jaar bij de pleegmoeder en is daar tot rust gekomen; hij is gebaat bij structuur en regelmaat.
In haar beroepschrift heeft de moeder gesteld dat zij de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder ondersteunt. Uit de door de GI geschetste recente ontwikkelingen volgt echter dat de moeder hierop kennelijk is teruggekomen. In een gesprek met de jeugdzorgwerker van de GI op 26 juli 2017 heeft zij kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder. Volgens haar gaat het niet goed met [minderjarige] , is hij niet gelukkig bij de pleegmoeder, heeft hij last van woede-uitbarstingen en zou de pleegmoeder niet consequent zijn in straffen. De GI heeft echter aangegeven geen zorgen te hebben over de opvoedsituatie bij de pleegmoeder. Nu de moeder niet ter zitting is verschenen heeft het hof haar hierover aan haar geen vragen kunnen stellen.
Verder bestaat er onduidelijkheid over de huidige situatie van de moeder. Zij wil graag nog een kans om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen. Niet gebleken is echter of daar op korte termijn zicht op is. Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat zij mogelijk samenwoont met haar nieuwe partner en zwanger is. Dit laatste maakt volgens de moeder dat zij geen hulpverlening kan ontvangen.
Verder is er ter zitting gebleken dat de moeder afspraken in het kader van haar hulpverlening niet nakomt, zij sinds juni 2017 geen hulpverlening heeft ontvangen en een langere periode (drie maanden) onbereikbaar is geweest voor de GI. Hierdoor kon de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] geen doorgang vinden.
Tot slot is tijdens de meest recente begeleide omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] gebleken dat zij niet aansluit bij zijn behoefte.
3.9.4.
Gelet op het vorenstaande is het hof met de raad en de GI van oordeel dat het belang van [minderjarige] bij rust en stabiliteit thans duidelijkheid omtrent zijn toekomstperspectief vereist en dat in redelijkheid niet te verwachten is dat de moeder binnen een aanvaardbare termijn in staat zal zijn om op een verantwoorde wijze de opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen.
Een beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] acht het hof in het belang van de minderjarige dan ook noodzakelijk.
3.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 9 mei 2017;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.L. Schaafsma-Beversluis en J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 12 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beschikking ondertekend door de oudste raadsheer.