Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[vestigingsplaats],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak was belanghebbende B.V. in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake omzetbelasting over het tijdvak van augustus 2014. Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de nieuwe gemachtigde van belanghebbende tevens rechter-plaatsvervanger was bij de rechtbank die de bestreden uitspraak had gedaan.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat deze situatie de objectief gerechtvaardigde vrees van partijdigheid kan oproepen, wat in strijd is met artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Om de schijn van partijdigheid te vermijden, besloot het hof de zaak ambtshalve te verwijzen naar het Gerechtshof Den Haag, conform artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De beslissing werd mondeling op 6 november 2017 uitgesproken en schriftelijk bevestigd op 8 november 2017. Het hof benadrukte dat tegen deze tussenuitspraak geen afzonderlijk rechtsmiddel openstaat, maar dat bezwaar kan worden gemaakt bij het hoger beroep of cassatie tegen de einduitspraak.
Uitkomst: De zaak wordt ter vermijding van schijn van partijdigheid verwezen naar het Gerechtshof Den Haag.