Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4601804 CV EXPL 15-11377)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met zes producties (nummers 20 tot en met 25).
3.De beoordeling
- Bij huurovereenkomst van 27 januari 2012 heeft de woningstichting aan [huurster] (hierna: [huurster] ) de woning aan de [adres] te [woonplaats] verhuurd. De woning is een appartement dat gelegen is in een appartementengebouw.
- [appellant] is sinds 14 november 2013 bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [huurster] .
- [huurster] ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
- Aan [huurster] is via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) woonbegeleiding toegekend.
- [huurster] heeft in het najaar van 2013 de heer [de vriend van huurster] leren kennen. [de vriend van huurster] heeft daarna regelmatig in de woning van [huurster] verbleven. De woningstichting heeft vervolgens klachten ontvangen over vanuit de woning van [huurster] veroorzaakte geluidsoverlast.
- Bij brief van 13 januari 2014 heeft de woningstichting aan [huurster] onder meer het volgende meegedeeld:
- De woningstichting heeft ook in de loop van 2014 een aantal klachten ontvangen van meerdere bewoners van het appartementencomplex over door [huurster] en haar partner [de vriend van huurster] veroorzaakte ernstige overlast, met name bestaande uit geluidsoverlast, onder meer in de nachtelijke uren.
- De woningstichting heeft [huurster] op 5 november 2014 in kort geding gedagvaard en veroordeling van [huurster] tot ontruiming van de woning gevorderd wegens de door haar en [de vriend van huurster] veroorzaakte ernstige geluidsoverlast. [huurster] heeft verstek laten gaan in die procedure. De kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft de vordering vervolgens toegewezen bij (verstek)vonnis in kort geding van 19 november 2014.
- Bij dagvaarding van 3 december 2014 heeft [huurster] verzet ingesteld tegen het vonnis in kort geding van 19 november 2014.
- De woningstichting heeft [huurster] op 10 december 2014 in een bodemprocedure gedagvaard en ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [huurster] tot ontruiming van het gehuurde gevorderd wegens, kort gezegd, het veroorzaken van ernstige overlast voor omwonenden.
- Het verzet tegen het kortgedingvonnis van 19 november 2014 is behandeld ter zitting van de kantonrechter van 15 december 2014. Bij die mondelinge behandeling hebben de partijen een regeling getroffen ter beëindiging van de procedure. Die regeling, die is neergelegd in het proces-verbaal van de zitting, luidt als volgt:
- In verband met de getroffen regeling heeft de bodemprocedure, waarin de woningstichting [huurster] op 10 december 2014 had gedagvaard om op 24 december 2014 te verschijnen, geen doorgang gevonden.
- De woningstichting heeft in de loop van 2015 weer van meerdere bewoners uit het appartementencomplex klachten ontvangen over vanuit de woning van [huurster] veroorzaakte overlast, onder meer bestaande uit geluidsoverlast tijdens de nachtelijke uren. Naar aanleiding van een van die meldingen heeft de heer [bewoner van het appartementencomplex] van de politie bij e-mail van 21 oktober 2015 het volgende meegedeeld aan mevr. [medewerker van de woningstichting] van de woningstichting:
- De zorginstelling die de woonbegeleiding van [huurster] uitvoerde, is omstreeks eind 2015 gestopt met de woonbegeleiding van [huurster] . De zorginstelling heeft bij brief van 21 maart 2016 aan de advocaat van de woningstichting meegedeeld dat de begeleiding gestopt is omdat, kort gezegd, [huurster] ondanks herhaald verzoek geen contact meer heeft opgenomen en niet reageert op verzoeken om afspraken te maken. In de brief staat voorts dat de Wmo-beschikking nog geldig is en dat de zorginstelling bereid is de hulp te hervatten op het moment dat [huurster] de hulp op structurele basis accepteert.
- De woningstichting heeft een rapport van de heer [bewoner van het appartementencomplex] van de politie van 21 maart 2016 overgelegd, waarin drie overlastmeldingen uit 2015 met betrekking tot de woning van [huurster] zijn opgesomd en besproken.
- De woningstichting heeft een mutatierapport van de politie van 3 april 2016 overgelegd. In dat rapport staat onder meer het volgende:
- ontbinding van de huurovereenkomst;
- veroordeling van [huurster] , althans van de bewindvoerder in zijn hoedanigheid, tot ontruiming van de woning;
- veroordeling van [huurster] , althans van de bewindvoerder in zijn hoedanigheid, tot betaling van € 375,20 voor elke maand dat [huurster] na de ontbinding van de huurovereenkomst nog in de woning verblijft, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat het bedrag opeisbaar is geworden;
- Indien [huurster] een van de voorwaarden van de regeling van 15 december 2014 niet is nagekomen, is de ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd. Omdat de regeling een laatste kans vormde voor [huurster] om de woning te behouden, zal niet snel geoordeeld kunnen worden dat de tekortkoming die volgt uit de overtreding van een van de voorwaarden, wegens haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt.
- Het ligt op de weg van de woningstichting om te bewijzen dat [huurster] een of meer van de voorwaarden van de regeling heeft overtreden. De woningstichting kan dit bewijs vermoedelijk leveren door schriftelijke stukken over te leggen.
- De woningstichting is erin geslaagd om te bewijzen dat [huurster] zich niet heeft gehouden aan in elk geval twee van de drie voorwaarden (namelijk de voorwaarde om geen overlast te zullen veroorzaken en de voorwaarde om de woonbegeleiding door Envida te blijven accepteren zolang de indicatie geldt).
- Zoals reeds overwogen in het tussenvonnis, zijn dit geen tekortkomingen die vanwege hun geringe betekenis de ontbinding van de huurovereenkomst en de daaruit volgende ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigen.
- Voor een belangenafweging is bij deze stand van zaken geen ruimte meer.
- De veroordelingen moeten overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:525 tegen de bewindvoerder in zijn hoedanigheid worden uitgesproken.
- de huurovereenkomst ontbonden;
- de bewindvoerder veroordeeld om de woning binnen 14 dagen te ontruimen;
- de bewindvoerder veroordeeld tot betaling van € 375,20 voor elke maand dat [huurster] na de ontbinding van de huurovereenkomst nog in de woning verblijft, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat het bedrag opeisbaar is geworden.
- in hoeverre is [huurster] na het treffen van de regeling van 15 december 2014 tekortgeschoten in de nakoming van die regeling;
- in hoeverre is [huurster] na het treffen van de regeling (opnieuw) tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst;
- is de laatstgenoemde tekortkoming van zodanig bijzondere aard of geringe betekenis, dat zij de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
- het alleen achterlaten van de hond in de woning, waarna die veelvuldig en langdurig hard blaft, ook tijdens de voor de nachtrust bestemde uren;
- het door [huurster] weer regelmatig in de woning laten verblijven van [de vriend van huurster] ;
- daarmee samenhangende leefgeluiden, hard gepraat en heftig geruzie in de nachtelijke uren, gepaard gaande met het luid dichtslaan van deuren en geluiden alsof er in de woning met spullen wordt gegooid;
- ruzies tussen [huurster] en [de vriend van huurster] in de woning, waarbij servicegoed en andere spullen vanaf het balkon naar buiten worden gegooid.
- harde muziek, waarbij [huurster] hard meezingt.
4.De uitspraak
- mondeling tussenvonnis van 4 maart 2016;
- eindvonnis van 20 juli 2016;