ECLI:NL:GHSHE:2017:4888

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 november 2017
Publicatiedatum
16 november 2017
Zaaknummer
200.222.848_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof verlengt ondertoezichtstelling minderjarige deels en wijst machtiging uithuisplaatsing af

In deze zaak stond de verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige centraal, alsmede de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder was tegen de verlenging en machtiging in hoger beroep gegaan. De ondertoezichtstelling was aanvankelijk ingesteld vanwege bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en de noodzaak van hulpverlening.

Het hof heeft vastgesteld dat de omstandigheden sinds de eerdere beschikking zijn veranderd. De minderjarige woont sinds 15 augustus 2017 weer thuis bij de ouders, die inmiddels verhuisd zijn en waar het goed gaat met de ontwikkeling van het kind. De hulpverlening wordt door de gecertificeerde instelling als nog nodig gezien, maar het hof vindt de onderbouwing hiervoor onvoldoende.

Daarom vernietigt het hof de beschikking voor het deel van de ondertoezichtstelling vanaf 1 december 2017 en wijst het verzoek tot verlenging voor die periode af. De machtiging tot uithuisplaatsing is ingetrokken door de moeder, waardoor het hof haar niet-ontvankelijk verklaart in dat onderdeel van het hoger beroep. De ondertoezichtstelling blijft geldig tot 1 december 2017.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing niet-ontvankelijk en wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af vanaf 1 december 2017.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak : 16 november 2017
Zaaknummer : 200.222.848/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/330477 / JE RK 17-844
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. N. van Luijk,
tegen
Stichting Intervence,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
Als belanghebbende wordt [belanghebbende] (hierna te noemen: de vader) aangemerkt.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 13 juni 2017.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 september 2017, heeft de moeder verzocht, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 november 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Van Luijk;
- de vader;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
Tevens zijn als informanten gehoord:
- [informant 1] (hierna: de stiefopa);
- [informant 2] (hierna: de tante).
2.3.1.
De raad is niet ter zitting verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 juni 2017;
  • de brief met bijlage van de raad van 26 september 2017;
  • de brief met bijlagen van de GI van 30 oktober 2017.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de relatie van de moeder en de heer [relatie van de moeder] is geboren:
- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder en de vader oefenen sinds 20 juni 2017 gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
3.2.
[minderjarige] staat sinds 20 mei 2016 onder toezicht, aanvankelijk van Stichting Jeugdbescherming Brabant, sinds 9 maart 2017 van de GI.
3.3.
[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging vanaf 20 mei 2016 uithuisgeplaatst in een netwerkpleeggezin.
3.4.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 juni 2017 verlengd tot 20 mei 2018, alsmede aan de GI machtiging verleend om [minderjarige] met ingang van 13 juni 2017 tot
20 november 2017 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.
3.5.
De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
De uithuisplaatsing is met ingang van 15 augustus 2017 beëindigd.
3.7.
Ter zitting van het hof heeft de moeder het hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing ingetrokken en daarmee haar grieven op dit punt niet gehandhaafd. Het hof zal de moeder in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.
3.8.
De moeder voert met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.
Aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling is niet voldaan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het in het belang van [minderjarige] is dat er een onafhankelijke derde betrokken blijft die zijn belangen in het oog kan houden en de noodzakelijke hulpverlening kan coördineren. Een verlenging van de ondertoezichtstelling heeft volgens de moeder geen toegevoegde waarde.
De moeder en de vader zijn inmiddels verhuisd naar [woonplaats] en [minderjarige] gaat daar inmiddels ook naar school. Zij zetten de ingezette positieve lijn door en handelen in het belang van [minderjarige] . Het gaat goed met [minderjarige] . Hij krijgt logopedie. Ook op school doet [minderjarige] het goed. Al vanaf eind 2016 zijn de banden met de familie van de moeder verbeterd.
Door de verhuizing naar [woonplaats] zal er een nieuwe wisseling van gecertificeerde instelling dienen plaats te vinden. De ouders hebben er geen vertrouwen in dat er daadwerkelijk invulling zal worden gegeven aan de ondertoezichtstelling. Ook na de vorige wisseling van gecertificeerde instelling is er nauwelijks tot geen sprake geweest van hulp, begeleiding of toezicht door de gezinsvoogd.
Tweemaal in de week komt er thans gedurende één à anderhalf uur een medewerker van SDW bij de ouders thuis. Die medewerker benoemt geen verbeterpunten in het kader van de opvoedingsvaardigheden van de ouders en er is evenmin sprake van terugkoppeling van deze bezoeken naar de ouders. De ouders hebben maar een enkele keer een verslag van de begeleiding ontvangen. De ouders zijn van mening dat hulp van SDW niet meer nodig is.
3.9.
De vader heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk is. Er zijn geen zorgen meer over [minderjarige] .
3.10.
De GI voert ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.
De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is nog nodig om zijn thuisplaatsing te monitoren. Het is belangrijk dat de hulpverlening van SDW doorloopt. De ouders doen het goed, maar de GI wil zicht houden op hoe het gaat. Wanneer de ondertoezichtstelling nu stopt, zal het contact met SDW worden verbroken, zo is de inschatting van de GI.
3.11.
De stiefopa heeft ter zitting verklaard dat het contact met de ouders goed is. [minderjarige] doet het prima.
3.12.
Het hof overweegt het volgende.
3.12.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.12.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en,
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
3.12.3.
Het hof is van oordeel dat een ondertoezichtstelling niet meer noodzakelijk is om een bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] af te wenden.
Toen de rechtbank de beslissing nam om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen, woonde [minderjarige] bij de oma en de stiefopa in het kader van een uithuisplaatsing. De ouders waren van plan om naar Brabant te verhuizen, maar er was nog geen zicht op de termijn waarbinnen dit feitelijk zijn beslag zou krijgen. De ouders hadden weliswaar gewerkt aan hun basale opvoedvaardigheden en hierin een positieve ontwikkeling doorgemaakt, maar ten tijde van de uitspraak van de rechtbank was deze ontwikkeling nog pril. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft verlengd.
Onder de huidige omstandigheden is het hof evenwel van oordeel dat er niet langer gronden aanwezig zijn om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te laten voortduren. Sinds 15 augustus 2017 woont [minderjarige] thuis bij de moeder en de vader. Er zijn geen concrete zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Hij krijgt logopedie en ook op school gaat het goed. De GI heeft weliswaar gesteld dat de ouders de hulpverlening van SDW nog nodig hebben, maar het hof beschikt niet over stukken of genoegzame onderbouwing waaruit het de noodzaak van deze hulp kan afleiden.
Ook voor het overige zijn door de GI geen feiten of omstandigheden gesteld die van dien aard zijn dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De wens van de GI om zicht te houden op hoe het met [minderjarige] gaat, vormt in dit geval onvoldoende grond om de inbreuk op het ouderlijk gezag, die de ondertoezichtstelling uit haar aard is, op dit moment nog te handhaven. Om praktische redenen zal het hof de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet onmiddellijk opheffen, maar met ingang van
1 december 2017.
3.13.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking gedeeltelijk dient te worden vernietigd.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 13 juni 2017 voor zover daarbij machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is verleend;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 13 juni 2017 voor zover de ondertoezichtstelling van [minderjarige] betrekking heeft op de periode vanaf 1 december 2017,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , voor zover die betreft de periode vanaf 1 december 2017;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 13 juni 2017, voor zover daarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd met ingang van 20 juni 2017 tot 1 december 2017;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma - Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en P.M.M. Mostermans en is op 16 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.