ECLI:NL:GHSHE:2017:5270

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 november 2017
Publicatiedatum
30 november 2017
Zaaknummer
200.222.203_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen echtscheidingsbeschikking en partneralimentatie

Partijen zijn in 2003 in Maleisië gehuwd en de rechtbank Zeeland-West-Brabant sprak op 6 juni 2017 de echtscheiding uit met een partneralimentatieverplichting voor de man van €1.335 per maand.

De man is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking, met name tegen de partneralimentatie, en verzocht de echtscheiding ongedaan te maken of de alimentatie te wijzigen. De vrouw verzocht het hof de echtscheiding te bekrachtigen en de partneralimentatie te handhaven.

Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. Omdat de man geen grief heeft tegen de echtscheiding zelf, verklaart het hof hem niet-ontvankelijk voor dat onderdeel van het hoger beroep.

De beslissing over de partneralimentatie wordt aangehouden voor een later moment. Het hof wijst het meer of anders verzochte af en bekrachtigt de echtscheiding bij afzonderlijke beschikking.

Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de echtscheiding; verdere beslissing over partneralimentatie wordt aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 30 november 2017
Zaaknummer: 200.222.203/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/312314 / FA RK 16-1260
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.P.M.M. Heijkant,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.M. Molkenboer.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juni 2017.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 augustus 2017, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de rechtsgronden, het verzoek van de vrouw strekkende tot partneralimentatie alsnog af te wijzen, althans de partneralimentatie vast te stellen op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof redelijk en billijk acht, met bepaling dat de vrouw al hetgeen zij ingevolge de bestreden beschikking van de man heeft ontvangen aan hem dient terug te betalen en de vrouw tot die betaling wordt veroordeeld.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 september 2017, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Tevens heeft de vrouw hierbij verzocht de echtscheiding aanstonds bij afzonderlijke beschikking te bekrachtigen. De man heeft zich ten aanzien van dit verzoek van de vrouw gerefereerd aan het oordeel van het hof.
2.3.
Deze beschikking heeft uitsluitend betrekking op het hoger beroep tegen de uitgesproken echtscheiding. De vrouw heeft op dit onderdeel afgezien van een mondelinge behandeling. De man heeft zich hierover niet uitgelaten. Het hof heeft besloten dit onderdeel van het hoger beroep op de stukken af te doen en heeft de uitspraak op dit punt bepaald op heden.

3.De beoordeling

3.1.
Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof verwijst hiervoor naar de daaraan gewijde overwegingen van de rechtbank waartegen geen grieven zijn gericht en die het hof onderschrijft. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding.
Tevens onderschrijft het hof de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de toepasselijkheid van Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding, waartegen eveneens geen grieven zijn gericht.
3.2.
Partijen zijn op 9 september 2003 in Melaka, Maleisië, met elkaar gehuwd.
3.3.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts - voor zover in hoger beroep aan de orde - uitvoer bij voorraad, bepaald dat de man vanaf de dag dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 1.335,- per maand.
3.4.
De man kan zich met deze beschikking niet verenigen en hij is daarvan in hoger beroep gekomen.
De vrouw heeft in haar verweerschrift verzocht de echtscheiding aanstonds bij afzonderlijke beschikking te bekrachtigen.
3.5.
Nu de man geen grief heeft aangevoerd tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, zal het hof de man in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
3.6.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juni 2017 voor wat betreft de daarbij uitgesproken echtscheiding;
wijst af het meer of anders verzochte;
houdt iedere verdere beslissing (ten aanzien van de partneralimentatie) aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en H.M.A.W. Erven en is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.