Belanghebbende, een dierenarts die deelneemt in een maatschap, had zowel buitenvennootschappelijke investeringen als investeringen via de maatschap gedaan. Het geschil betrof de juiste hoogte van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) over deze gecombineerde investeringen.
De rechtbank had de navorderingsaanslag verminderd, maar het hof vernietigde deze uitspraak. Het hof stelde vast dat de door de inspecteur gehanteerde rekenmethode, die de KIA naar rato van het aandeel in het totaal berekende, niet strookt met de sinds 2010 gewijzigde wetgeving. De wetgever had nagelaten een rekenregel te geven voor situaties waarin de KIA een vast bedrag is en niet een percentage van het totaalbedrag.
Het hof volgde de stelling van belanghebbende dat hem een KIA van €15.470 toekomt, het vaste bedrag voor investeringen tussen €55.248 en €102.311, ongeacht de investeringen van de maatschap. Tevens vernietigde het hof de belastingrentebeschikking en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.