Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 februari 2017 (althans dit begrijpt het hof uit de stukken en uit hetgeen is aangevoerd; op het proces-verbaal staat ten onrechte als datum 13 april 2017 vermeld);
- het formulier met bijlage d.d. 11 oktober 2017 van mr. Driessen;
- de ter zitting van dit hof overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen van mr. Jager.
3.De beoordeling
Zodra [de bank] bekend is geworden van het sepot, had het op haar weg gelegen om de registratie van [appellant] te heroverwegen. Dit heeft zij niet althans onvoldoende gedaan. De heer [fraude-onderzoeker bij de bank] , fraude-onderzoeker bij [de bank] , heeft tijdens de zitting van dit hof zelfs verklaard dat als er eenmaal sprake is van een registratie dat dit dan automatisch voor acht jaar is. Evenmin is door [de bank] nader onderzoek gedaan of zijn nieuwe omstandigheden aangevoerd.
Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd, bijvoorbeeld over de proportionaliteit – in het bijzonder in het kader van het klaarblijkelijk door [de bank] zonder meer gehanteerde automatisme van registratie voor de maximaal toegestane termijn - , behoeft geen behandeling meer. Het hof passeert voorts het bewijsaanbod van [de bank] , nu zij onvoldoende specifiek en ter zake dienend bewijs aanbiedt van feiten die tot een andere beslissing van de zaak kunnen leiden.