Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,
[appellant 2] ,beiden wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,
5.Het verdere verloop van de procedure
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij fax en brief van 25 oktober 2017 toegezonden producties 24 en 25 en de bij brief van 26 oktober 2017, ingekomen bij het hof op 27 oktober 2017, toegezonden producties 26 en 27, die mr. Verberne bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
6.De beoordeling
- afschriften van een bankrekening op naam van de zoon in de Emiraten, waarop bijschrijvingen (“deposits”) zijn te zien in de periode van oktober 2011 t/m december 2013 (productie 8 bij conclusie van dupliek), en;
- afschriften van een bankrekening op naam van mevrouw [de echtgenote van de vader respectievelijk de moeder van de zoon] (de echtgenote van de vader respectievelijk de moeder van de zoon, hierna te noemen: de moeder) waarop overboekingen staan vermeld naar:
- met de betalingen op de bankafschriften is niets gesteld, laat staan aangetoond over
- er zijn betalingen met wisselende omschrijvingen en zelfs zonder omschrijving, betalingen die verband lijken te houden met de onderneming van de zoon, betalingen die afkomstig zijn van de moeder en zelfs betalingen waarin in het geheel niet duidelijk is van wie die afkomstig zijn;
- dat er bedragen zijn overgeboekt naar een rekening van de zoon in de Emiraten zegt niets over het bestaan van een vordering van de zoon op de vader; er kunnen heel andere redenen zijn waarom het echtpaar [de echtgenote van de vader respectievelijk de moeder van de zoon] geld wilde overbrengen naar een rekening in de Emiraten en daarvoor de rekening van hun zoon heeft gebruikt.
“wordt uitgeleend en in gedeeltes beschikbaar gesteld”. Hieruit kan echter niet worden afgeleid of en zo ja, wanneer de zoon welke geldbedragen daadwerkelijk aan de vader ter beschikking heeft gesteld ten titel van geldlening.