Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
:21 december 2017
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die het gezag van de moeder over haar minderjarige dochter beëindigde. De minderjarige is sinds 2014 uit huis geplaatst en woont bij haar grootmoeder, de pleegmoeder. De moeder voert aan dat het goed gaat met de minderjarige, zij dagelijks betrokken is bij haar opvoeding en dat de rechtbank ten onrechte het criterium van artikel 1:266 lid 1 BW Pro niet heeft getoetst.
Het hof stelt vast dat de minderjarige in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn in staat is om de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding op zich te nemen. De minderjarige heeft zelf gekozen om bij de pleegmoeder te wonen en wil niet terug naar de moeder. Het hof benadrukt het belang van rust, stabiliteit en duidelijkheid voor de minderjarige.
De moeder's beroep op internationale verdragen zoals het EVRM en IVRK wordt verworpen omdat de nationale wetsbepalingen een gerechtvaardigde inbreuk vormen en het belang van het kind centraal staat. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van de moeder af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige.