In deze civiele zaak gaat het om het hoger beroep van de zoon tegen de beschikking van de kantonrechter die een bewindvoerder en mentor heeft benoemd voor zijn moeder. De moeder, geboren in 1938, is weduwe en wordt al jaren verzorgd door de bewindvoerder en een van haar dochters. De zoon betwist de benoeming en voert aan dat de procedure in eerste aanleg niet correct is verlopen en dat de bewindvoerder niet in staat is haar taken naar behoren uit te voeren.
Het hof heeft de procedure en de inhoudelijke argumenten van partijen uitgebreid gewogen. Het is vastgesteld dat de bewindvoerder al jarenlang de financiële en niet-financiële belangen van de moeder behartigt en dat betrokken professionals positief over haar functioneren zijn. De moeder verblijft sinds april 2017 in een verzorgingstehuis waar de bewindvoerder zorgt voor passende zorg en voeding.
Het hof oordeelt dat de benoeming van de bewindvoerder en mentor in het belang van de moeder is en dat een benoeming van een onafhankelijke derde niet nodig is. De procedurele bezwaren van de zoon leiden niet tot vernietiging van de beschikking. Het hof benadrukt het belang van mediation tussen de kinderen om de spanningen te verminderen en gezamenlijk beslissingen te kunnen nemen.
De beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd voor zover het hof bevoegd is te oordelen en het meer of anders verzochte wordt afgewezen. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.