Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven met producties, tevens houdende vermeerdering van eis;
- de memorie van antwoord;
- het door de raadsman van [appellanten] toegezonden H12-formulier van 11 oktober 2016, met producties;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
6.De verdere beoordeling
- welk bedrag werd geleend;
- de omvang van de te betalen termijnen;
- de duur van de periode dat voormelde termijnen betaald moesten worden;
- de omvang van de te betalen kredietvergoeding;
- de omvang van de te betalen restantsom inclusief laatste termijnbetaling;
- welke strekking de kredietovereenkomsten hadden: de financiering van 2 specifieke auto’s die [appellanten] hadden gekozen.
De door [appellanten] ondertekende onderhandse akten leveren tegen hen en ten behoeve van Volkswagen Bank dwingend bewijs op van hun verklaring, die bestemd is tot bewijs (artikel 157 lid 2 Rv Pro). [appellanten] hebben geen nadere uitleg gegeven van hun stellingen op dit punt.
Niet in geschil is dat de alimentatieverplichting in het licht van de financiële positie van [appellanten] niet gering was en dat die van belang was voor de beoordeling door Volkswagen Bank. Partijen zijn het erover eens dat Volkswagen Bank of Autobedrijf [Autobedrijf] aan [appellanten] voor het aangaan van de overeenkomsten een algemene vraag heeft gesteld over vaste lasten en dat [appellanten] in antwoord daarop verschillende lasten hebben genoemd, maar de alimentatie niet hebben gemeld.
"polis [polisnummer] maand 05/2010 MAATWERKVERZEKERING UW VERZEKERINGSPREMIE ING Levensverzekering Retail bv".Met name uit de vermelding
"maand 05/10"had Volkswagen Bank redelijkerwijs kunnen en moeten afleiden dat dit een maandelijks terugkerende (en dus: vaste) lastenpost van [appellanten] betrof. Zij had dan ook bij haar onderzoek naar de kredietwaardigheid van [appellanten] met deze post rekening moeten houden althans naar deze post nader moeten informeren bij [appellanten].
- Vast staat dat [appellanten] op een gegeven moment in 2011 in gebreke zijn gebleven om de verschuldigde maandtermijnen aan Volkswagen Bank te voldoen en dat Volkswagen Bank de overeenkomst met betrekking tot de Seat heeft ontbonden en in april 2012 de Seat heeft teruggenomen. Gelet op dit gegeven en het feit dat het niet naleven van de verplichtingen uit hoofde van artikel 4:34 Wft Pro de geldigheid van de kredietovereenkomst in beginsel niet aantast, moet dit leiden tot de conclusie dat de rechtbank terecht de verklaring voor recht heeft uitgesproken, inhoudende dat de huurkoopovereenkomst tussen Volkswagen Bank en [appellanten] betreffende de Seat Altea is ontbonden en dat Volkswagen Bank in beginsel aanspraak kan maken op de openstaande restantschuld na verkoop van die auto.
- Tegenover de hiervoor vermelde restantschuld staat echter de verplichting van Volkswagen Bank om de door haar onrechtmatig handelen als hiervoor omschreven ontstane schade te vergoeden. Het hof begroot die schade op het bedrag van de openstaande en door Volkswagen gevorderde restantschuld (met betrekking tot de Seat). Daarbij overweegt het hof allereerst dat [appellanten] tot april 2012 gebruik hebben gemaakt van de Seat. Zij hebben weliswaar voor dat gebruik termijnen moeten betalen die zij niet hadden hoeven betalen als Volkswagen Bank niet tot de gewraakte kredietverlening was overgegaan, maar feit blijft dat zij bijna twee jaren de auto hebben kunnen gebruiken: zij hadden de auto ook niet gehad indien de overeenkomst niet zou zijn gesloten. Voor wat betreft de gestelde schade bestaande uit de tot april 2012 betaalde termijnen heeft dan ook te gelden dat daar een voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW Pro tegenover heeft gestaan. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de voor de Suzuki betaalde en nog te betalen termijnen. Deze auto is immers nog steeds in gebruik bij [appellanten] en de op die auto betrekking hebbende kredietovereenkomst is niet ontbonden. Het is een keuze van [appellanten] om de Suzuki te houden en te gebruiken. Zonder nadere toelichting kan dan ook niet worden aangenomen dat de onzorgvuldige handelwijze van Volkswagen Bank met betrekking tot de Suzuki tot enig nadeel heeft geleid. Na april 2012 hebben [appellanten] evenwel niet meer de beschikking over de Seat gehad. De nog openstaande en door Volkswagen Bank gevorderde termijnen van de voor deze auto gesloten kredietovereenkomst zijn in het licht van het voorgaande te beschouwen als door [appellanten] geleden schade, ontstaan als gevolg van het onrechtmatig handelen van Volkswagen Bank.
- Per saldo heeft Volkswagen Bank na verrekening daarom niets meer te vorderen uit hoofde van de kredietovereenkomst met betrekking tot de Seat en zal haar vordering op dit punt alsnog worden afgewezen. Ook [appellanten] hebben gelet op al het voorgaande na verrekening aan hoofdsom niets meer te vorderen (zie hierna wat betreft de bijkomende posten).