Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] , België,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , België,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak gaat het om een executiegeschil waarbij [manufacturing] Manufacturing B.V. in hoger beroep is tegen [geïntimeerden c.s.]. De kern van het geschil betreft de vraag of de vader, na overdracht van zijn onderneming aan zijn zoon, nog werkzaamheden verrichtte voor de onderneming en daarmee een vordering op de onderneming had.
Het hof heeft bij een eerder tussenarrest partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de stand van de cassatieprocedure en het voornemen tot benoeming van een deskundige. De cassatiedagvaarding is wel uitgebracht maar niet aangebracht, waardoor het arrest van 7 april 2015 onherroepelijk is geworden. Dit leidt tot vernietiging van een onderdeel van het bestreden vonnis en afwijzing van de onderliggende vordering.
Het hof ziet af van het gelasten van deskundigenonderzoek vanwege de hoge kosten en wijst een verzoek tot het overleggen van bankafschriften af omdat niet is gebleken dat relevante bescheiden in de administratie aanwezig zijn. Het hof geeft [geïntimeerden c.s.] een bewijsopdracht om feiten en omstandigheden te bewijzen die rechtvaardigen dat de vader ten tijde van het executoriaal beslag op 25 januari 2013 of daarna een vordering op [manufacturing] had, met name uit hoofde van verrichte werkzaamheden.
Het hof bepaalt dat getuigen gehoord kunnen worden onder leiding van een raadsheer-commissaris en verwijst de zaak naar de rol voor verdere procesafspraken. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot overleg van bankafschriften af, geeft een bewijsopdracht aan geïntimeerden en bepaalt procedurele stappen voor getuigenverhoor.