In deze civiele procedure staat centraal of de verhuurder aan de huurder heeft gegarandeerd dat het gebruik van het gehuurde pand voor detailhandel aan particulieren was toegestaan volgens het bestemmingsplan. De huurder wilde een tweedehandswinkel exploiteren, maar de gemeente stond dit niet toe.
Het hof heeft getuigen gehoord en de bewijsopdracht van het tussenarrest van 4 april 2017 uitgevoerd. De verklaringen van de huurder en zijn getuigen werden gemotiveerd bestreden door de verhuurder en diens getuigen. Het hof concludeert dat de huurder niet overtuigend heeft bewezen dat de verhuurder de bestemming van het pand voor detailhandel aan particulieren heeft gegarandeerd.
Daarmee zijn de grieven van de huurder in principaal hoger beroep verworpen en is het vonnis van 21 oktober 2015 bekrachtigd. Wel is een meer subsidiaire vordering van de huurder tot verklaring van beëindiging van de huurovereenkomst per 1 april 2014 toegewezen. In incidenteel hoger beroep is het vonnis vernietigd voor zover het de huurder veroordeelde tot betaling van huur voor februari en maart 2014, en is deze veroordeling verhoogd tot een bedrag inclusief gebruiksvergoeding voor april 2014. De kosten van beide beroepen zijn aan de huurder opgelegd.