Uitspraak
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
- de memorie van grieven.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak in hoger beroep staat centraal dat er een bewind is ingesteld over het vermogen van de geïntimeerde. De vordering tot schadevergoeding betreft het onder bewind gestelde vermogen. Volgens artikel 1:441 BW Pro kan een procedure over dit vermogen alleen door of tegen de bewindvoerder worden ingesteld, die de onderbewindgestelde vertegenwoordigt.
Ondanks dat de appellant bekend was met de onderbewindstelling, is de appeldagvaarding alleen aan de geïntimeerde zelf uitgebracht, wat het hof als een vergissing beoordeelt. De advocaat van de geïntimeerde was eveneens op de hoogte van het bewind, waardoor de dagvaarding aan de onderbewindgestelde geen rechtsgeldige partijstelling oplevert.
Het hof stelt dat deze vergissing niet tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep leidt, omdat de vordering het vermogen van de onderbewindgestelde betreft en de bewindvoerder de beschikkingsbevoegdheid heeft. Daarom wordt appellant in de gelegenheid gesteld om de bewindvoerder alsnog als partij in het geding op te roepen.
De zaak wordt verwezen naar de rol van 27 maart 2018 om deze procedurele handeling mogelijk te maken en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: De zaak wordt verwezen om de bewindvoerder alsnog als partij op te roepen; verdere beslissingen worden aangehouden.