Belanghebbende verkocht in 2011 aanmerkelijk belangaandelen en betwistte de door de Inspecteur vastgestelde verkrijgingsprijs van deze aandelen. Het Hof oordeelt dat belanghebbende geen recht heeft op een step-up van de verkrijgingsprijs, omdat hij op 1 januari 1997 reeds aanmerkelijk belanghouder was. Daarnaast worden door belanghebbende voorgestelde verhogingen van de verkrijgingsprijs, zoals achtergestelde leningen, borgstelling en fictieve rente, niet aanvaard.
De Inspecteur heeft de verkrijgingsprijs van ƒ 166.000 (€ 75.328) correct vastgesteld. Er is geen sprake van niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomsten, noch van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het Hof verklaart belanghebbende ontvankelijk in het bezwaar, maar verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Verder oordeelt het Hof dat de navorderingsaanslag 2011 niet in stand kan blijven omdat er geen sprake is van kwade trouw of een kenbare fout en omdat een nieuw feit ontbreekt. Ook is vastgesteld dat de behandeling van de procedure binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat geen vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding wordt toegekend.
Het verzoek tot vergoeding van griffierecht wordt afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 15 maart 2018.