Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4784366/16-577)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met zeven producties en een wijziging van de eis in reconventie;
- de memorie van antwoord met een productie.
3.De beoordeling
- [geïntimeerde] is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] .
- [geïntimeerde] heeft de woning met ingang van 1 december 2013 verhuurd aan [appellante] voor een huurprijs van (bij aanvang van de huur) € 680,-- per maand. Artikel 10.1 van de huurovereenkomst luidt als volgt:
- Medio september 2015 had [appellante] de huur over de maanden maart, juli en september 2015 nog niet betaald.
- [geïntimeerde] en [appellante] hebben op 17 september 2015 afgesproken dat [geïntimeerde] op zaterdag 19 september 2015 bepaalde werkzaamheden in het gehuurde zou uitvoeren. Deze afspraak is echter niet uitgevoerd omdat [appellante] op zaterdag 19 september 2015 in verband met een ziekenhuisopname niet aanwezig kon zijn en zij [geïntimeerde] niet tijdens haar afwezigheid in de woning wilde toelaten.
- [geïntimeerde] heeft [appellante] vervolgens bij brief van 25 september 2015 op de betalingsachterstand gewezen en [appellante] verzocht om de achterstallige huur over de maanden maart, juli en september 2015 en de huur over de maand oktober 2015 voor het einde van september 2015 te voldoen.
- Bij brief van 2 oktober 2015 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] het volgende meegedeeld:
- De advocaat van [appellante] heeft [geïntimeerde] vervolgens bij brief van 19 oktober 2015 een offerte van aannemingsbedrijf [aannemingsbedrijf] te [plaats] gezonden voor het verrichten van werkzaamheden aan de woning. De offerte beloopt een bedrag van € 6.500,-- exclusief btw.
- Bij brief van 23 oktober 2015 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellante] meegedeeld dat [appellante] de huur over de maanden maart, juli, september en oktober 2015 ten onrechte onbetaald heeft gelaten. In de brief staat voorts onder meer het volgende:
- Bij een zich niet bij de gedingstukken bevindende maar wel in de processtukken genoemde brief van 28 oktober 2015 heeft de advocaat van [appellante] meegedeeld dat [appellante] niet instemt met beëindiging van de huurovereenkomst. In de brief is [geïntimeerde] gesommeerd tot herstel van gebreken door een gerenommeerd bedrijf.
- Tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak, op 26 januari 2016, had [appellante] de huur over de maanden maart 2015, juli 2015 en september 2015 tot en met januari 2016 nog niet voldaan. Het aantal maanden onbetaalde huur bedroeg toen dus zeven.
- Op 1 mei 2016 had [appellante] ook de huur over de maanden februari tot en met mei nog niet betaald. Het aantal maanden onbetaalde huur bedroeg toen dus elf.
- Op 2 mei 2016, ruim drie weken voor de in eerste aanleg op 24 mei 2016 gehouden comparitie van partijen, heeft [appellante] aan [geïntimeerde] € 6.120,-- (negen maanden huur ad € 680,-- per maand) betaald. Na die betaling waren van de vervallen huurtermijnen alleen de maanden april en mei 2016 nog niet voldaan.
- In het proces-verbaal van de op 24 mei 2016 gehouden comparitie van partijen staat voor zover nu van belang het volgende:
- Op 28 juli 2016 is [geïntimeerde] bij de woning van [appellante] geweest. De partijen verschillen van mening over hetgeen zich daar toen precies heeft afgespeeld.
- Bij e-mail van vrijdag 29 juli 2016, 11:33 uur, heeft de advocaat van [appellante] aan de advocaat van [geïntimeerde] het volgende meegedeeld:
- Op 30 juli 2016 is [geïntimeerde] wederom bij de woning van [appellante] geweest. Ook over wat zich daar toen precies heeft afgespeeld, verschillen de partijen van mening.
- Bij (per fax verzonden) brief van 9 augustus 2016 heeft de advocaat van [appellante] aan kantonrechter onder meer het volgende meegedeeld:
- ontbinding van de huurovereenkomst;
- veroordeling van [appellante] tot ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling van [appellante] tot betaling van de huur van € 680,-- per maand althans een schadevergoeding van die hoogte, voor iedere maand of gedeelte van een maand vanaf 1 april 2016;
- Het beroep dat [appellante] heeft gedaan op een opschortingsrecht met betrekking tot haar huurbetalingsverplichting vanwege gebreken aan het gehuurde treft geen doel. Dat gebreken niet zijn hersteld komt voor rekening van [appellante] zelf, omdat zij [geïntimeerde] de toegang tot de gehuurde woning ter herstel van gebreken heeft ontzegd. [appellante] is dus tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door huurachterstanden te laten ontstaan en door [geïntimeerde] niet toe te laten in de woning voor het herstel van gebreken. Daarom is de ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [appellante] tot ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd (rechtsoverweging 6).
- De vordering tot betaling van € 680,-- per maand zal worden toegewezen over de periode vanaf 1 april 2016, omdat [appellante] de huur tot en met maart 2016 heeft voldaan (rechtsoverweging 7).
- De vordering in reconventie is niet toewijsbaar (rov. 8).
- de huurovereenkomst per de datum van het vonnis ontbonden;
- [appellante] veroordeeld om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;
- [appellante] veroordeeld om bij wijze van huur, dan wel schadevergoeding wegens het derven van huur, aan [geïntimeerde] € 680,-- te voldoen voor iedere maand of gedeelte van een maand vanaf 1 april 2016 tot aan de dag van de ontruiming.
- € 364,33 ter zake door [appellante] betaalde ‘kosten van tenuitvoerlegging’;
- € 1.590,-- ter zake verhuiskosten;
- € 1.350,-- ter zake herinrichtingskosten.
- het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie;
- het toewijzen van de gewijzigde eis in reconventie van [appellante] ;
- € 1.360,-- ter zake de achterstallige huur over de maanden april en mei 2016;
- € 680,-- ter zake schadevergoeding wegens voortzet gebruik van het gehuurde in de maand november 2016.