Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.mr. D.P.W.H. Cremers,
[gefailleerde] ,kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/321445, rolnummer KG ZA 17-319)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de akte van [gefailleerde] en [appellant] van 12 september 2017;
- de antwoordakte van Enexis van 3 oktober 2017;
- het exploot van 10 november 2017, waarbij Enexis de curator in het faillissement van [gefailleerde] op de voet van artikel 27 van Pro de Faillissementswet tot overneming van het geding heeft opgeroepen;
- de memorie van antwoord;
- de akte van de curator en [appellant] van 30 januari 2018 met twee producties;
- de antwoordakte van Enexis van 13 februari 2018.
3.De beoordeling
- a. om het transport van elektriciteit ten behoeve van het pand aan de [adres 1] te [plaats] te hervatten, zodat [gefailleerde] en/of [appellant] voor de woning wederom een overeenkomst voor levering van energie kan aangaan,
- b. akkoord te gaan met een betalingsregeling ter zake kosten voor het heraansluiten en het ter beschikking stellen van het elektra netwerk,
- Aangenomen kan worden dat [gefailleerde] en [appellant] een spoedeisend belang hebben bij beoordeling van hun vorderingen in kort geding (rov. 4.1).
- De beslissingen uit het vonnis van 19 december 2012 hebben op grond van artikel 236 Rv Pro bindende kracht tussen partijen in de onderhavige procedure (rov. 4.2).
- [gefailleerde] heeft niet voldaan aan de veroordeling uit het vonnis van 19 december 2012. Enexis heeft op grond van dat vonnis nog (inclusief wettelijke rente) ongeveer € 30.000,-- van [gefailleerde] te vorderen ter zake de elekticiteitsfraude uit 2007 (rov. 4.3, eerste deel).
- Enexis heeft aan [gefailleerde] bovendien op 27 januari 2011 € 5.132,35 gefactureerd ter zake bij de politie-inval van 25 januari 2011 geconstateerde elektriciteitsdiefstal. [gefailleerde] heeft die factuur niet voldaan (rov. 4.3, tweede deel).
- Er is geen grondslag om Enexis te veroordelen akkoord te gaan met een betalingsregeling ter zake kosten voor het heraansluiten en het ter beschikking stellen van het elektra netwerk, zoals [gefailleerde] en [appellant] vorderen (rov. 4.4).
- Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat [appellant] op [adres 1] woont, dan is hij daar zelf begin 2017 gaan wonen terwijl in dat pand al sinds 6 jaar geen elektriciteitsaansluiting meer aanwezig was. Voor zover aan de zijde van [appellant] sprake is van een noodsituatie, hebben [gefailleerde] en [appellant] die noodsituatie dus zelf gecreëerd en kunnen zij dat niet aan Enexis tegenwerpen (rov. 4.6).
- Bovendien kunnen [gefailleerde] en [appellant] stroom opwekken met een benzinegenerator voor een gering bedrag per dag, kunnen zij koken op butagas, kan de was met de hand worden gedaan en kan [appellant] voor internet ook elders terecht. In zoverre is er dus geen dringende noodzaak voor heraansluiting (rov. 4.7).
- Het beroep van [gefailleerde] en [appellant] op artikel 6 van Pro de Regeling gaat niet op (rov. 4.9).
- Het beroep van [gefailleerde] en [appellant] op artikel 10 van Pro de Regeling gaat niet op (rov. 4.10).
- Het voorgaande brengt mee dat niet aannemelijk is dat Enexis misbruik van recht maakt of in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt (rov. 4.11).
- Op 4 december 2007 is een hennepkwekerij aangetroffen in het ook toen al aan [gefailleerde] toebehorende pand aan de [adres 1] . Op grond van het vonnis van 19 december 2012 strekt voor het hof tot uitgangpunt dat daarbij sprake is geweest van een omvangrijke diefstal van elektriciteit. Enexis heeft in verband daarmee de elektriciteit in het pand afgesloten en pas hersteld nadat [gefailleerde] in mindering op de vordering van Enexis ter zake gestolen elektriciteit € 10.000,-- had betaald. Enexis heeft nu nog een vordering op [gefailleerde] ter zake deze gestolen elektriciteit die inclusief wettelijke rente ongeveer € 30.000,-- beloopt.
- [gefailleerde] heeft niet de stelling van Enexis (pleitnota van 1 juni 2017, blz. 1 en 2) betwist, dat op 17 november 2009 een hennepkwekerij is aangetroffen op het adres [adressen] te [plaats] , waar [gefailleerde] destijds woonde, en dat ook in verband met deze hennepkwekerij was gefraudeerd met de elektriciteitsafname.
- Bij de politie-inval van 25 januari 2011 is wederom (voor de derde keer) een hennepkwekerij aangetroffen in een pand waarmee [gefailleerde] rechtstreekse betrokkenheid had of dat aan haar toebehoorde. Naar het oordeel van het hof heeft Enexis haar stelling dat ook in dit geval sprake was van fraude met de elektriciteitsafname vooralsnog voldoende onderbouwd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de getuigenverklaring die [fraude-inspecteur bij Enexis] , fraude-inspecteur bij Enexis, in het kader van de tegen [gefailleerde] gevoerde strafzaak heeft afgelegd, is af te leiden is dat zes lampen zijn aangetroffen van elk 400 Watt en dat de verzegeling op de aansluitkast rechts ontbreekt. Daar komt bij dat volgens de eigen verklaring van [gefailleerde] het verbruik dat wel op de meter is geregistreerd, een normaal verbruik voor een pand als het onderhavige betreft. Dat bevestigt de stelling van Enexis dat het verbruik dat samenhangt met de lampen die voor de hennepkweek zijn gebruikt, niet op de meter is geregistreerd omdat voor de meter een illegale aftakking is gemaakt. Dat [gefailleerde] in de tegen haar aanhangig gemaakte strafzaak uiteindelijk door het gerechtshof is vrijgesproken van diefstal van elektriciteit ter zake de op 25 januari 2011 ontdekte hennepkwekerij (na eerder door de politierechter te zijn veroordeeld), doet hier naar het voorlopig oordeel van het hof niet aan af, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de hennepplanten zijn aangetroffen in een door [gefailleerde] onderverhuurde ruimte. De vrijspraak zegt reeds om die reden niet dat er niet gefraudeerd is met de op naam van [gefailleerde] staande elektriciteitsaansluiting maar hooguit dat betrokkenheid van [gefailleerde] bij de fraude niet overtuigend is komen vast te staan.
- De nieuwe afsluiting heeft in januari 2011 plaatsgevonden, terwijl [gefailleerde] en [appellant] dit kort geding eerst in mei 2017 (datum dagvaarding 29 mei 2017) aanhangig hebben gemaakt.