In deze civiele zaak stond de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige centraal. De moeder was in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de rechtbank om de machtiging te verlengen tot 26 april 2018. De minderjarige verbleef sinds 31 augustus 2017 in een pleeggezin na een ernstig incident thuis waarbij politie moest ingrijpen vanwege een onveilige situatie.
De moeder voerde aan dat er geen sprake was van een onveilige opvoedingssituatie en dat verlenging niet gerechtvaardigd was. De gecertificeerde instelling (GI) verdedigde de verlenging met verwijzing naar het incident waarbij de moeder ontremd en onder invloed was en waarbij de minderjarige en haar oudere zus lichamelijk letsel hadden opgelopen. Uit rapportages bleek dat de minderjarige angstig was en mogelijk trauma gerelateerde problematiek had.
Het hof oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing aanwezig waren en dat de zorgen over de minderjarige nog niet waren weggenomen. Er was onvoldoende inzicht in de persoonlijkheidsproblematiek van de moeder en het toekomstperspectief voor de minderjarige was nog onduidelijk. Het pleeggezin bood rust en veiligheid, en terugplaatsing kon pas overwogen worden als er zicht was op verbetering van de situatie. Daarom werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.