Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 24 oktober 2017;
- de akte na tussenarrest van 21 november 2017 (het exploot van betekening);
- het H2-formulier van 28 november 2017 waarin mr. Van Gans zich stelt als advocaat voor [geïntimeerde] ;
- de memorie van antwoord.
6.De verdere beoordeling
voor wat betreft de woning:
voor zover de woning aan derden moet worden verkocht:
bij niet-nakoming van het verkoopklaar maken van de woning (vordering sub 2):
voor wat betreft het bouwdepot:
[appellante q.q.], naast de reeds in eerste aanleg gedane vordering sub 3 (het aan [appellante q.q.] verlenen van vervangende toestemming dan wel haar te machtigen tot het laten taxeren van de woning en de woning in de verkoop te plaatsen en de eigendom daarvan aan een derde over te dragen, art. 3:174 BW Pro) bij vermeerdering van eis in hoger beroep het in rov. 6.3. hiervóór onder 1) subsidiair en meer subsidiair vermelde gevorderd.
hofoverweegt als volgt. Uitgangspunt is dat niemand tot een onverdeeldheid is gehouden. Het hof wijst in dit verband op art. 3:178 BW Pro waarin, voor zover relevant, het volgende is bepaald:
of(curs. hof) om andere gewichtige redenen”.
Parl. Gesch. 3, p. 596). De primaire en subsidiaire vordering van de vrouw onder 1 worden daarom afgewezen.
rechtbankheeft in rov. 4.2.4. overwogen dat op basis van de stellingen van partijen onduidelijk is gebleven wat bij het sluiten van het convenant precies werd bedoeld met het verkoopklaar maken van de woning. De rechtbank overwoog vervolgens:
hofstelt bij de beoordeling van de tweede grief het volgende voorop. De vordering sub 2 is een vordering tot nakoming van art. 3.3. van het convenant. Alvorens te kunnen beoordelen of die vordering kans van slagen heeft, dient te worden vastgesteld welke verbintenissen – in dit geval voor [geïntimeerde] – uit art. 3.3. van het convenant voortvloeien.
rechtbankheeft geoordeeld dat [appellante q.q.] met de enkele verwijzing naar de omvang van het bouwdepot onvoldoende heeft onderbouwd hoe zij aan het door haar gevorderde bedrag van € 20.000,-- is gekomen. Dit gedeelte van de vordering is daarom afgewezen door de rechtbank.
hofstelt vast dat [appellante q.q.] in haar petitum geen veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding aan [de rechthebbende] en/of de (ontbonden) huwelijksgemeenschap (meer) vordert. Een beoordeling van de derde grief kan daarom achterwege blijven. Voor zover het hof het aanbod van [appellante q.q.] om haar stelling “nader te onderbouwen ter gelegenheid van bijvoorbeeld de taxatie van de woning” moet begrijpen als een bewijsaanbod, passeert het hof, gelet op het vorenoverwogene, dit bewijsaanbod.
rechtbankheeft over de draagplicht geoordeeld dat pas een vordering op de wederpartij kan ontstaan indien de eisende partij méér heeft betaald voor de aflossing van een gemeenschappelijke schuld dan correspondeert met de draagplicht van deze partij. Bij de beoordeling van de (subsidiaire) vordering van [appellante q.q.] stelde de rechtbank voorop:
hofoverweegt als volgt.